Deze pagina bevat links naar websites of webpagina's van derden. Hoewel we in principe achter deze sites staan hebben we geen zeggenschap over de inhoud  van deze sites/pagina’s en zijn we in geen geval aansprakelijk of verantwoordelijk. Het wil niet altijd zeggen dat we het eens zijn met waar deze sites verder naar verwijzen. Vermelding van een site betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat we in alles achter de inhoud hiervan staan. Hier geldt Hand. 17: 11 ".... en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Thessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren."

NBG vertaling

Stichting Promise Stichting Heartcry
Naardense Bijbelvertaling Voorkom (verslaving) Whitefieldstichting
HSV vertaling Joodse getuigenissen Israël en de Bijbel
Zoeklicht Jan van Barneveld Bijbelarchief
Tot Heil des Volks Stichting Proclaim (Sola 5 Baptisten) Internet Bijbelschool
Ver. tot Bescherming v/h Ongeboren kind Schepping Evangelisch College
Jaap Fijnvandraat (Bijbelstudie) Bridge to Light (Karin v/d Bosch) Oude Sporen (Bijbelstudie)
Bijbel en Onderwijs Het Zoeklicht St. Hand (Hulp aan Zendelingen)
Stichting de Haven (Hulp aan Protituees) Dorcas hulp Chr. Conferentie Centrum De Ark
Once Delivered (Tegen valse leer) De Stem (Lectuurzending) Christelijke Encyclopedie
Wycliffe Bijbelvertaalwerk Onderwijs en Israël Vast Fundament (in 44 lessen)

 

Inleiding.

Mij is in de afgelopen jaren gebleken dat er onder Baptisten behoefte is aan een heroriëntatie op Woord en theologie, in combinatie met gemeente en identiteit, niet zozeer aan nieuwe methoden van gemeentegroei en gemeente opbouw. Er kan zelfs gesproken worden van een identiteitscrisis.  Wat is een Baptistengemeente? De diversiteit aan antwoorden van doorsnee gemeenteleden doet denken aan het verhaal van de blinden en de olifant. Ieder houdt zelf wat in de hand, en dat is de olifant (slurf is een slang, de staart een touw, de poot een boom, de slagtand een speer). Een postmoderne student zou zeggen: dat is niet erg, dat is ook allemaal Baptisme. Ja, en niet alleen de Baptistenkerk, maar het verhaal, zo zal deze student zeggen, is ook van toepassing op God. Zelfs God is als een kosmische olifant; alle kerken en alle geloven hebben een deel van de goddelijke werkelijkheid in de hand (cf. D.A. Carson, The Gagging of God).

Deze postmoderne benadering geeft al aan, dat we moeten oppassen. Identiteit is geen samenraapsel van deelwaarheden. Daarom begin ik met een korte historische verkenning van de identiteit van het Baptisme. Van daaruit beschrijf ik de huidige tijdgeest, en hoe de tijdgeest
identiteitsveranderend inwerkt op de kerken. Tenslotte spreek ik enkele verwachtingen en aanbevelingen uit.

Eigen karakter van het Nederlandse Baptisme.

Het Nederlandse Baptisme is een stekje van eigen bodem. Toen de kerkelijke tuin in de 19e eeuw flink werd omgeploegd (na-Franse tijd, Verlichting, ethische theologie, H. de Cock en de Afscheiding in 1834, sociale veranderingen), schoot ineens, onbedoeld, een nieuwe plant op uit de grond. Zwak, kwetsbaar, maar zeer levensvatbaar.

Johannes Elias Feisser (1805) was Hervormd theoloog en predikant, en echt een student van de Groninger richting. Men knoopte aan bij het goede in de mens, de ethische en verlichte zedelijkheid. Een typische compromistheologie (P. Hofstede de Groot). Door diverse crises is zijn leven en bediening begon Feisser te veranderen - in 1841 brak hij met zijn leermeesters en de theologie die zij voorstonden. Feisser kwam tot overgave aan Christus. Waarom? Daar is niet helemaal de vinger op te leggen, maar duidelijk is dat voor Feisser de factor "mens" was uitgespeeld. Feisser bekeerde zich van zijn antropocentrisme, en zag dat hij vergeving nodig had. Jezus werd het centrum van zijn taal en verkondiging (invloed van de Puritein John Newton? [Cardiphonia]). Rekenen met de notie "verlichte zedelijkheid" van de mens bleek voor Feisser een dwaalweg. De menselijke zede, het religieuze gevoel, is geen natuurlijke landingsplaats voor Gods genade. Het is duister in het
onverstandige hart van elk mens, hoe verlicht hij zichzelf ook maar vindt (Rom. 1; cf. Isaac Da Costa, "Bezwaren tegen de geest der eeuw").

In Gasselternijveen bloeide Feissers kerk, maar de herboren predikant kon zijn boodschap daar niet kwijt. Hij raakte in conflict met de kerkeraad en het Provinciale Kerkbestuur, omdat hij tot het inzicht kwam dat, wil de Kerk het lichaam van Christus zijn, een doorgaande reformatie nodig is (ecclesia reformata semper reformanda). Nu weigert Feisser kinderen te dopen en onbekeerde kerkleden tot ouderlingen aan te stellen. Daarmee houdt hij dus vast aan zijn eerste uitgangspunt: ware kerkleden zijn zij die hebben ingezien dat het vrome gevoel voor God niet voldoende is. Het diepe wantrouwen naar de natuurlijke mens, zijn trots, ego, zelfhandhaving en absolutisme, is conditio sine
qua non, voor de gezonde bouw van een gemeente. Op nieuwjaarsmorgen 1844 stonden Feisser en mevrouw Feisser letterlijk op straat. Vervolgens komt Feisser in contact met Duitse baptisten - hij kende het Baptisme niet - en wordt hij in 1845 vlak bij de Nijveensche Mond gedoopt. Diverse anderen volgden hem, en de eerste Nederlandse Baptistengemeente was een feit.

Soberheid en eenvoud kenmerkten de eerste Baptistengemeente en sierden ook meerdere kleine Baptistengemeenschappen die weldra in de noordelijke provincies begonnen te groeien. Kenmerkend voor de samenkomsten waren de begrijpelijke christocentrische prediking en de
hechte gemeenschap. De diensten waren gericht op de navolging en blijdschap in Christus, en op de gemeenschapszin. Voor individualisme was geen ruimte. Men had elkaar juist hard nodig (veen-kolonies, zware sociale omstandigheden). Men kon niet ambitieus zijn. Menselijke ambities staan het werk van God alleen maar in de weg. Het werk van Christus is niet te meten.

Dit alles kwam tot uiting in de congregationalistische structuur van de Baptistenkerk. Die Kerk wordt niet van bovenaf gedomineerd. Het priesterschap van alle gelovigen is niet maar een belijdenis die in de structuur van de kerk weggemoffeld wordt. Daarom is er een platte structuur, controleren de leden elkaar, en is het niet mogelijk dat het belang van de gemeenschap geschaad wordt. Mensen zijn in het Nederlandse Baptisme namelijk belangrijker dan regels en statuten. Dat is een theologische keuze, op grond van de Schrift. De Kerk bestaat bij de gratie van een gemeenschap van mensen in wie Christus leeft. De Kerk bestaat niet bij de gratie van haar leiders of de structuren. De Kerk is de gemeenschap van wedergeboren christenen - zo is zij teruggebracht tot haar essentie - dat had Feisser goed gezien. De Kerk valt niet samen met haar huishoudelijk reglement, haar liturgische gestalte, haar uitstraling, haar banksaldo, haar drukdoenerij en religeus gedoe. De Kerk is niet een optelsom van Geestesuitingen of godsdienstige sentimenten. En staat of valt er dus ook niet mee. Helaas wordt in onze tijd met deze kenmerken van de Baptistische identiteit weinig rekening gehouden. Dit uit zich in verlies van en gemis aan identiteit.

Beschrijving van de huidige tijdgeest.

De huidige tijdgeest kenmerkt zich bij uitstek door het gebrek aan identiteit. Alleen: men zit er niet mee; het gebrek wordt niet als een gemis ervaren. Het gebrek is gewoonte geworden. We denken niet meer in bloedgroepen en zuilen. Identiteit vermengt zich: Europaïsering, Americanisering, globalisering, kosmisering, humanisering. De wereld wordt kleiner en kleiner, en wie wij eigenlijk zelf zijn wordt meer
en meer onduidelijk. Dus verbeeld je niets. Heb je nu een identiteit, dan kan die morgen veranderen. Ik wil daar enkele oorzaken voor aanwijzen en kort bespreken.

(1) De Spaanse socioloog Manuel Castells (Berkeley, San Francisco) constateert in zijn bekende trilogie The Information Age: Economy, Society and Culture (1996) dat de wereld zoals wij die kenden voor het informatietijdperk niet meer bestaat. De gestaalde kaders van onze oude bevelscultuur worden opgeblazen. Het informatietijdperk is een tijd van vrijheid en anarchisme. Bestaande identiteiten worden gemakkelijk
afgebroken of gepasseerd. Castells meent dat de IT golf tot een machine is uitgegroeid die door niemand meer beheerst kan worden (cf. de golem van Praag). Onze zapp- en netwerkcultuur groeit ons boven het hoofd. We hebben dus ook geen vat meer op de identiteit van groepen of enkelingen. De behoefte aan identiteit is er wel, want bijna iedereen is informatiemoe of zelfs informatieziek; maar er blijft te weinig
tijd en energie over om wezenlijk na te denken over identiteit. Citaat uit Castells, Vol. 2: The Power of Identity (p. 355): "The dissolution of shared identities, which is tantamount to the dissolution of society as a meaningful social system, may well be the state of affairs in our time. Nothing says that new identities have to emerge ... At first sight, we are witnessing the emergence of a world exclusively made of markets,
networks, individuals, and strategic organizations, apparently governed by patterns of ‘rational expectations’ (the new, influential economic theory), except when these ‘rational individuals’ suddenly shoot their neighbor, rape a little girl, or spread nerve gas in the subway. No need for identities in this new world: basic instincts, power drives, selfcentered strategic calculations, and, at the macro-social level, ‘the clear
features of a barbarian nomadic dynamic, of a Dionysian element threatening to inundate all borders and rendering international political-legal and civilizational norms problematic.’ A world whose counterpoint could be, as we are seeing already in a number of countries, a nationalistic reassertion by the remnants of state structures ..." Uitholling van identiteit rukt op en raakt individu, huwelijk en gezinsleven, stad en land, en kerk, zonder dat men naar nieuwe identiteit zoekt.

(2) Voor de postmoderne mens is de waarheidsvraag niet relevant, maar de belevingsvraag. De grote verhalen zijn uitgespeeld (dat is post-modern), de waarheid is gefragmenteerd. We leven in een multiversum, waarin ieder zijn eigen privé-waarheidje heeft. Identiteit is dus ook samengesteld, meervoudig. Dat is al te zien aan hoe postmodernen zich kleden: bij-elkaar-geraapte stijlen en symbolen. Identiteit is opgebouwd uit brede, maar dunne netwerken (niet-regisseerbare verbanden) waar men gemakkelijk doorheen kan zappen.
Dit geeft een gevoel van vrijheid, want vriendschappen zijn losvast. Maar deze ‘homo-zappens’ is ook eenzaam in zijn vlechtwerkje van virtuele relaties. Hij is een onthecht mens, en velen lijden onder deze door hechtingsangst geplaagde tijdgeest. "Arme en jammerlijke wereldgeest" noemt de apostel het - de huidige is zonder "smoel". Voor de pomo-mens (postmoderne mens) is "waar" wat hij nu beleeft. Het gaat hem of haar om de volle echtheid van het nu-continuüm. Op de belevingsvraag ga ik zo nog in.

(3) Omdat de waarheidsvraag er weinig toe doet, en de nu-beleving voorop staat, is er bij de pomo-mens nagenoeg geen belangstelling voor het verleden. Hij is a-historisch en vaak zelfs anti-historisch. Identiteiten van "toen" kunnen ter aarde storten. Ik constateer een dramatisch gemis aan historisch besef en daardoor aan gezond zelfrelativisme. Velen vergeten dat identiteit in het verleden ligt en slechts daar gezocht en
gevonden kan worden. Het verleden wordt beleefd als een uitdijend heelal, waar de afstanden steeds groter worden, en de werkelijkheid steeds moeilijker toegankelijk. Volgens het hermeneutische deconstructivisme, dat uitgaat van de vooronderstelling dat vaste betekenissen van teksten niet mogelijk zijn, gaan historische teksten niet over waarheid of werkelijkheid. Wij kennen het verleden alleen uit verhalen en teksten, maar in het pomo-denken is er geen verleden: er zijn immers verledens. Het verleden bestaat niet. Maar zonder verleden is de identiteit van de toekomst onzeker. Een volk zonder geschiedenis is een volk zonder ziel. Men kent de vaderlandse geschiedenis nauwelijks, evenmin als de Bijbelse geschiedenis. Deze generatie is de generatie van de moord op het verleden en de traditie, en daarmee op de eigen identiteit (een land zonder geschiedenis is een land zonder ziel; een mens zonder geschiedenis, is een mens zonder ziel; een kerke zonder geschiedenis, is een kerk zonder ziel). De aandacht ligt bij: kijk eens wat ik allemaal kan, niet bij: kijk eens wie ik ben. Dat brengt mij opnieuw
bij de belevingsvraag.

(4) In de westerse economie draait het in de commercie volledig rond de belevingskwaliteit, waar flink voor betaald wordt. Men wil meer betalen voor meer comfort, voor meer gemak en gevoel. Er bestaat een heuse gevoelsmarkt. En kerken kunnen eigenlijk ook niet meer zonder die markt. Emoties kunnen gekocht en aangeboden worden. Overal wordt gehandeld en onderhandeld over gevoel. De kerk is ook zo´n onderhandelingsplek - een hangplek voor relishoppers. In dit verband wil ik wijzen op de uitstekende bundel artikelen onder redactie van Andrew Fountain, Loving the God of Truth. Preparing the Church for the Twenty-First Century (Toronto, 1996). In deze bundel zijn de lezingen opgenomen van de Achtste Internationale Baptisten Conferentie te Toronto in 1996. Daarin spreekt de Parijse Baptistenvoorganger Paul Appéré over "het evangelie van MTV" en de  "MacDonaldisering van de kerk". Christenen zoeken ook binnen de kerk naar entertainment
(enterpreaching). Men voelt zich klant (liefst een in de watten gelegde, welkome klant) en wil als betalende klant ook "geholpen" worden. Snelle en gemakkelijke antwoorden, opgedist in showachtige samenkomsten, moeten het vrome gemoed naar de toppen van het gevoel brengen. Over de inhoud van de megafestatie moet steeds onderhandeld kunnen worden. Dus ook over de preek, de geboden, de vermaningen. Men wil eigenlijk onderhandelen met God Zelf. Gods wet wordt stuk-onderhandeld, want men wil liefst op-maat-gesneden afspraken met God. De opmars van het antinomianisme (neo-Marcionitische gnostiek) is binnen deze sferen dan ook niet te stuiten. Ten onzent heeft prof. Heitink op deze beweging gewezen in zijn boek Biografie van de dominee (Baarn, 2001): "Mensen, bijkomend van de druk van hun dagelijks leven, zoeken ook in de kerk ‘vrijblijvende ontspanning, nostalgisch verlangen, zoete spijs, troostrijke gebaren en gemakkelijk vermaak’ (Nauta). Het dwingt de predikant in de rol van religieus entertainer. Voorziet hij hier niet in, dan is al gauw sprake van
disfunctioneren" (267). Nederlanders zijn onderhandelaars bij uitstek. Het zit ons in het bloed. Ook het onderhandelen over God. Misschien dat wij daarom ook vast zitten aan onze wekelijkse geestelijke adrenalineshot, en dat wij daarom als land geestelijk diep in de problemen zitten.

(5) De vorige punten vat ik onder het vijfde punt samen, en breid deze met aanvullende gedachten uit. Onze cultuur is sterk mensgericht. Beleving staat daarbij centraal. Voor het nadenken over zichzelf (zelfreflectie, psychohygiène), God en de medemens is nauwelijk ruimte of interesse. De plaats van de emoties is ook binnen de kerken een dominante. De Engelse Puriteinenkenner Iain Murray bespreekt dit uitvoerig in zijn recente boek Evangelicalism Divided. A Record of Crucial Change in the Years 1950 to 2000 (Edinburgh, 2000). Hij registreert dat de invloed van de Duitse theoloog Friedrich Schleiermacher nog steeds groot is, en dat zijn denkbeelden verdeeldheid bewerken onder evangelicale theologen. Ik moet zeggen dat Murray in een aantal opzichten gelijk heeft. Schleiermacher is voor ons actueler dan ooit. Iain Murray, in de jaren vijftig assistent van Dr. Lloyd-Jones, toont met een gedetailleerd overzicht aan dat de evangelische beweging in Engeland, in het kielzog van de Verenigde Staten, in zichzelf verdeeld is geraakt vanwege verschil van visie over de aard van de Godsopenbaring. Murray opent zijn boek veelzeggend met de grote invloed die Friedrich Schleiermacher (1768-1834) vanaf de negentiende eeuw op de ontwikkeling van de theologie heeft uitgeoefend. Opgevoed in piëtistische kring stelt hij zich te weer tegen de verering van de rede, en heeft hij de eigen plaats van de theologie in de wetenschap willen veilig stellen door voor de theologie de mens zelf als uitgangspunt te nemen. Het
wezen van religie is bij Schleiermacher niet denken of handelen, maar het religieuze gevoel, of de onmiddellijke intuïtie, dat hij definieert als het bewustzijn van volstrekte afhankelijkheid ("ein schlechthinniges Anhängigkeitsgefühl"). De Schrift is dan ook een compilatie van geschriften die het vrome zelfbewustzijn willen uitdrukken. Vanaf Schleiermacher zijn het antropocentrisme en het subjectivisme in de theologie, en vooral in de hermeneutiek, niet meer weg te denken. Ook al heeft Karl Barth zich sterk tegen hem verzet (Die protestantische Theologie im 19. Jahrhundert. Ihre Vorgeschichte und ihre Geschichte [Zürich, 1947; 19855] 409-412 ["Das christlich fromme Selbstbewußtsein betrachtet und beschreibt sich selbst: das ist grundsätzlich das Eins und Alles dieser Theologie", 409]), en God tot Subject van zijn theologie gemaakt, het gezag van de Schrift als "een Tegenover" van de mens was voorgoed in twijfel getrokken. In 1978 spraken E.J. Beker en J.M. Hasselaar zelfs van een "Schleiermacher-renaissance" (Wegen en kruispunten in de dogmatiek; deel 1 [Kampen, 1978] 135). Murray
is van mening dat de evangelische cultuur van binnenuit, door Gods leerstellige openbaring tot subjectieve standpunten te verklaren, in een crisis belandt. Gesteund door de geest van het postmoderne voluntarismeis de crisis eigenlijk onontkoombaar geworden. De kreet "oecumene van het hart" is misschien niet meer dan een bedekte term voor evangelicaal pluralisme geworden.

Ik kom nu tot een aantal fundamentele opmerkingen. Het gaat binnen de Nederlandse evangelische cultuur zo weinig over God en zo vaak over ik-en-mijn-Jezus. Daarbij valt het onderscheid tussen het religieuze gevoel en God snel weg. In de kern is dit heidendom: God valt samen met zijn schepping. Maar, en dat is fundamenteel joods en christelijk: God geeft Zijn gevoel niet aan ons; Hij wil dat niet, en kan dat niet, en de mens wordt niet ook maar een stukje God. Dit moet ons dan ook eigenlijk fundamenteel kritisch maken ten opzichte van ons eigen religieuze gevoel. Karl Barth deed dat als geen ander. Maar men doet net alsof Barth niet heeft bestaan. Logisch, want men kent hem niet en leest hem niet. Deze Nederlandse generatie evangelicalen heeft het verleden niet nodig. Zij is immers de uitverkoren generatie die de tijden van Elia en Mozes doet herleven. Alle heiligen en engelen kijken op Nederland toe, zij hebben op ons gewacht, daar begint de opwekking die de wereld verandert. Wij vinden de waarheid over God zelf uit. Luther was zielig, Calvijn een neuroot, Feisser oubollig, Barth een stoffige Duitse theoloog. Ja, de Nederlandse evangelicalen blazen al dit stof van God af.

Wat overblijft is een identiteitsloze grootst-gemene-deler van de zichzelf overschattende Nederlandse evangelische gevoelsmarkt. Een samenvatting biedt de "gele bundel" van Opwekking. De armoede aan historische, Bijbelse identiteit van die bundel is zo groot, dat alle voordeel erbij verbleekt. De God van Opwekking bouwt als wij aanbidden, blijft ons altijd maar liefhebben; meer nog: ik moet zingen dat ik
zijn liefde liefheb. Deze God steekt zo mager en zielig af tegen de God van Abraham, Izaak en Jakob en vooral van David. De gele God van Opwekking heeft meer weg van een westerse psychotherapeut. Ik vraag me af of de Nederlandse Opwekkings-God niet meer is dan een projectie van postmoderne, beschadigde en onvervulde verlangens, dus van onze leegte. Hij is meer de God van de Edda (IJslandse boek der mythen, cf. Miskotte) dan van de Tora, meer de God van de Olympus dan van de Sinai en Golgotha. (Natuurlijk heeft de bundel ook goede liederen; het ontbreekt echter aan variatie - de fout ligt in de eenzijdigheid, de vele herhalingen, en de oppervlakkigheid van tekst - te veel antropologie, te weinig theologie.)

Ik kom nu aan de conclusie van de eerste twee hoofdpunten toe. Hoe ver staat dit evangelische milieu af van Feisser en de geschiedenis van het Baptisme, hoe ver van het gedachtengoed van onze voorvaders? Hoe veraf misschien ook van de koers van de Schrift? Nu zal een postmodern mens zeggen: wat maakt dat uit. Maar op dit soort bewustzijnsvernauwende opmerkingen wens ik niet in te gaan. Ik ga ervan uit dat een Christen, met enig vermogen tot zelfreflectie, er enigszins van doordrongen is te staan in een traditie van eeuwen, en dat de grote daden Gods niet pas bij hem of haar beginnen.

Uit de Achtste Internationale Baptisten Conferentie (1996) blijkt reden tot bezorgdheid. Baptisten zijn niet zonder identiteit, en moeten die niet verliezen. De tijdgeest doet echter wel verliezen en vergeten, en plaatst het gevoelsleven bovenaan de agenda. Feisser zou dat nooit gedaan hebben, integendeel. Zoals gezegd: voor Feisser is de menselijke zede, het religieuze gevoel, geen natuurlijke landingsplaats voor Gods genade. En bovendien dient het vrome gevoel in de hechte gemeenschap, waar de Schrift (in begrijpelijke taal uitgelegd) centraal staat, gecontroleerd te worden (dat is het kerk-zijn voor de Baptist). Ons tijdsbeeld staat veraf van dat van de vader van het Nederlandse Baptisme.

Baptistengemeenten lopen het gevaar contact met het verleden te verliezen, en de waarschuwingen van Feisser niet ernstig te nemen. De kerk is geen plaats waar de mens zijn podium kan bouwen - de kerk is Gods huis. Het gaat daar om Gods eer. En die lijn van Gods eer loopt ook sinds jaar en dag door de theologie van de Baptisten heen. De Amerikaanse historicus van het Baptisme Tom Nettles schreef in 1986 zijn bekende boek By His Grace and for His Glory, en betoogt daarin dat Baptisten van oudsher meer bij Calvijn aansluiten dan bij Arminius. Met andere woorden: zij hebben een diep wantrouwen naar de eigen vermogens van de mens om daarmee iets voor God te betekenen. De mensvisie is zogezegd behoorlijk pessimistisch, en dat straalt af op de wijze waarop de kerk samenkomt. Alle ruimte wordt aan God gelaten, en mensen moeten wijken.

Ik constateer dat men binnen Baptistische kringen hiervan aan het weggroeien is. Bewust of onbewust, dat weet ik niet. En het is een gevaarlijke tendens. De kerk wordt niet gemaakt door mensen - de gemeente is geen mensenwerk ("Gods bouwwerk, zijt gij"). Te veel tijd, geld en energie gaat zitten in mensgerichte zaken die het luisteren naar God eerder hinderen dan bevorderen. Om de postmoderne mens te
overrompelen en te winnen voor Christus wordt met shows uitgepakt. Hij moet diep in zijn gevoel geraakt worden. Maar dan zijn we verkeerd bezig. Het verstand moet bevrucht worden, en van daaruit het hart. Helaas komt het vaak niet zover - zonder er bij na te denken gaat men vanuit het gevoel dienen, en groeit men van meet af aan scheef in het geloof op. Activisme en gedrevenheid zijn wel breed, maar ook flinterdun, en oppervlakkig (cf. Greg Pritchards onderzoek van de gemeente Willow Creek). Identiteit zit in de diepte, niet in de breedte. Identiteit zit in wie je bent, niet in wat of hoeveel je doet. En God is vooral in het eerste geïnteresseerd. De wereld in het tweede.

Verwachtingen.

De evangelische beweging kalft af. De godsdienstsocioloog Hyme Stoffels heeft in zijn lezing voor de EA gezegd dat de evangelische beweging haar kracht aan het verliezen is. Zij is braaf geworden, heeft zich geplooid naar de wereld. Zij wordt nu echt serieus genomen, zij is "salonfähig" geworden, en daarmee zo goed als geneutraliseerd. Dit zal zo blijven doorgaan, totdat er weer een nieuwe evangelische beweging
opstaat die de klok gaat luiden. Ook de Engelse theoloog A. McGrath heeft hierop gewezen. De evangelische beweging moet gauw weer relevant en anders worden, diep gemotiveerd door gezonde theologie en minder door gevoel, anders gaat zij haar bestaansgrond en bestaansrecht verliezen.

Ik verwacht niet dat de geestelijke erosie tot stoppen te brengen is. Ook niet binnen de Baptistengemeenten. Ik zie het dus somber in. Om relevant over te komen zal men blijven doorgaan met mensen te plezieren. Men ziet niet dat relevantie daar niet van afhangt. Relevantie heeft te maken met identiteit, "anders-zijn", en niet met "meer van hetzelfde". Relevantie zit in de diepe overtuigingen die we in ons hart dragen. Het hart dat op God gericht is, op Zijn eer en kerk. Een kerk met identiteit is een gemeenschap die er is om God te behagen, en niet om mensen te entertainen. Ik betwijfel of wij onze leden of gasten daarin durven teleur te stellen. Geen batterij aan muzikanten, geen beamer, geen
dans en kleuren, geen toneel, geen korte preek, geen gemakkelijk in het gehoor liggende Opwekkingsnummers, geen humor, geen lieftalligheid, geen peptalk, maar Goddelijke ernst.

Adviezen en aanbevelingen.

Wil er enige hoop zijn voor de Baptistengemeenten, dan ligt die in haar identiteit. Ik raad dan ook aan om die te gaan onderwijzen, voor jong en oud. Laat er daarom meer historische prediking zijn (identiteit ligt altijd in de geschiedenis). Dat vraagt veel voorbereiding, maar de mensen kennen de Bijbelse geschiedenis nauwelijks. Maak de leden ook vertrouwd met hun eigen kerkgeschiedenis. Waaruit ben je voortgekomen. Doordat het Joodse volk haar geschiedenis zeer goed kent, bestaat het nog.
Bij die identiteit, zo zei ik, horen diepe overtuigingen. (Men zou zich derhalve minder moeten laten leiden door gemeentegroeibewegingen, sociologie en managementpraktijken.) Preek die overtuigingingen dan ook. Laat er veel ruimte zijn voor prediking, onderwijs en studie waarbij diep wordt nagedacht. Doceer de gemeente ook theologie (grote verhalen - die zijn juist nodig voor houvast in de identiteit; cf. D.A.
Carson). En vooral: loop het religieuze gevoel niet achterna. Preek achterdocht ten aanzien van het eigen gevoel. Leer mensen nadenken, gezond zelfrelativisme. Leidt hen tot ware Godskennis, en van daaruit tot meer zelfkennis.

Baptisten staan voor de grote uitdaging om allereerst de mensgecentreerde tijdgeest bij zichzelf te verslaan. Misschien komt het er dan ooit nog eens van om die van anderen te verslaan. Er staat veel op het spel: identiteit, identiteit, en nog eens identiteit.

Lezing gehouden voor de Broederschap van Baptistengemeenten in Nederland op 31 maart 2003

Opening Hogeschooljaar, Evangelische Theologische Hogeschool, 13 september 2003 door dr. Henk Bakker     

‘Aiai aiai, dustanos eg ' (Sophocles, Oedipus Rex 1308). Met deze woorden laat de tragedieschrijver Sophocles koning Oedipus, aan het einde van zijn drama, blind op het toneel verschijnen: ‘ohoh, ohoh, ik ben rampzalig'. De trotse koning is dan totaal vervreemd van zichzelf, ja is beland in een ondraaglijke identiteitiscrisis. Hij was immers niet die hij meende te zijn, en liep zijn noodlot in de armen. Ongewild en ongemerkt werd Oedipus de moordenaar van zijn vader en de echtgenoot van zijn moeder.
De vader van de psychoanalyse, Sigmund Freud, kwam op het spoor dat deze rond de helft van de 5e eeuw voor Christus geschreven tragedie elementen bevat die overeenkomen met diepe drijfveren van het menselijke onderbewustzijn (cf. vers 981, waar - nota bene, de niets-vermoedende - Jocasta zegt: ‘Hoe vaak gebeurt het niet, dat een man in zijn dromen zijn moeder heeft getrouwd!'). Eén van de nood lottigheden van het leven, waar dus nauwelijks aan te ontkomen valt, is de drift tot vadermoord. We kennen het allemaal, in algemene of bijzondere zin. Voor de vrouwen geldt misschien niet zozeer dat zij te lijden hebben van het Oedipuscomplex, als wel van het Electracomplex (zie de laatste publicaties van Iki Freud). We gaan hier nu niet in detail op in, maar vatten beide complexen samen onder de gedachte dat kinderen ongewilde rekeningen met hun ouders hebben te vereffenen. Maar dat geldt niet alleen voor lijfelijke kinderen - ook voor geesteskinderen. Kinderen van de tijd hebben de neiging om hun tijd als dé tijd te zien, en de geschiedenis als vader te vermoorden.

Aan vadermoord is ook binnen de theologie moeilijk te ontkomen. Ik verwijs in de eerste plaats naar het boeiende hoofdwerk van wijlen prof. Van Gennep, ‘De terugkeer van de verloren vader. Een theologisch essay over vaderschap en macht in cultuur en christendom' (Baarn, 1989). Van Gennep constateert dat de mondigheid van de mens, mondigheid ten opzichte van God en Kerk, met het beeld van een veeleisende en tyrannieke vaderfiguur heeft afgerekend. Bonhoeffer constateert dit al eerder in zijn gevangenisbrieven en bespreekt een a-religieus christendom dat kan leven zonder de voogdij van God. Bonhoeffer en Van Gennep beoordelen deze verschuiving voornamelijk als positief.
Allerlei bijgeloof, geestelijke domhouderij en suppressieve geloofsstructuren gaan ter ziele. Maar er zitten natuurlijk ook kwalijke kanten aan.

De Leidse, Remonstrants Gereformeerde theoloog Meijering schrijft evenwichtiger over de oedipale neigingen in de theologie: ‘men vermoordt het voorgeslacht, dat pretendeerde met de waarheid gehuwd te zijn, om er zelf mee te kunnen trouwen' (Voorbij de vadermoord. Over het christelijk geloof in God, de Schepper [Kampen, 1998]. Hij kwalificeert dit in wezen als puberaal gedrag. Interessant is dat hij soortgelijke dingen ook al zo'n 25 jaar eerder schreef (Onmodieuze theologie. Over de waarde van de theologie van ‘grieks' denkende kerkvaders [Kampen, 1974]). Mensen staan pas vrij tegenover hun voorgeslacht, als zij hun voorouders niet slechts napraten, noch zich tegen hen afzetten, maar dankbaar kunnen zijn voor wat zij hebben ontvangen. En wat voor het gewone leven geldt, geldt ook voor de kerk: ‘We zijn in theologisch opzicht pas volwassen als we vrij staan tegenover de traditie. Als we alleen maar napraten wat de vaderen ons hebben voorgezegd, dan zijn we nog zo klein dat we niet eens kunnen studeren, d.i. zelfstandig denken. Als we alleen maar met een ondertoon van
zelfmedelijden en zelfverheffing beschuldigend naar het theologische verleden kunnen wijzen (...), dan zijn we theologische pubers, in het gunstigste geval theologische kwajongens. We staan vrij tegenover de traditie als we dankbaar zijn voor wat we aan goeds hebben ontvangen ..., en als we duidelijk hebben gezien waar fouten zijn gemaakt en proberen zelf die fouten te vermijden (al lijkt de kans groot dat een volgende generatie van ons zal zeggen: "L'histoire se répète")'.

Bij de postmoderne evangelicaal is er echter nagenoeg geen belangstelling voor het verleden - beleving nu is belangrijker dan waarheid toen. Hij of zij is a-historisch en soms zelfs anti-historisch. Identiteiten van "toen" kunnen ter aarde storten. Ik constateer een dramatisch gemis aan historisch besef en daardoor aan gezond zelfrelativisme. Deze Nederlandse generatie evangelicalen meent het verleden niet nodig te hebben, want zij is immers de uitverkoren generatie die de tijden van Elia en Mozes doet herleven. Alle heiligen en engelen kijken op Nederland toe, zij hebben op ons gewacht, daar begint de opwekking die de wereld verandert. Wij vinden de waarheid over God zelf uit. Luther was zielig, Calvijn een neuroot, Feisser oubollig, Barth een stoffige Duitse theoloog. Ja, de Nederlandse evangelicalen blazen al dit stof van God af. Ik ga er evenwel van uit dat een Christen, met enig vermogen tot zelfreflectie, er enigszins van doordrongen is te staan in een traditie van eeuwen, en dat de grote daden Gods niet pas bij hem of haar beginnen. We dreigen te vergeten dat identiteit in het verleden ligt en voornamelijk daar gezocht en gevonden moet worden. Deze generatie is de generatie van de moord op het verleden en de traditie, en daarmee op de eigen identiteit.

Volgens het hermeneutische deconstructivisme, dat uitgaat van de vooronderstelling dat vaste betekenissen van teksten niet mogelijk zijn, gaan historische teksten niet over waarheid of werkelijkheid. Het verleden bestaat niet (hooguit verledens). Maar een volk zonder geschiedenis is een volk zonder ziel, een mens zonder geschiedenis is een mens zonder ziel, een kerk zonder geschiedenis is een kerk zonder ziel. Wie zijn bezieling niet uit het verleden kan halen, is gedoemd om vast te lopen. Hij loopt te pletter op desoriëntatie en rusteloos activisme. Een samenvatting hiervan biedt de "gele bundel" van Opwekking. De armoede aan historische, Bijbelse identiteit van die bundel is zo groot, dat alle voordeel erbij verbleekt. De God van Opwekking bouwt als wij aanbidden, blijft ons altijd maar liefhebben; meer nog: ik moet zingen dat ik zijn liefde liefheb. Deze God steekt zo mager en zielig af tegen de God van Abraham, Izaäk en Jakob, en vooral van David. De gele God van Opwekking heeft meer weg van een westerse psychotherapeut. Ik vraag me af of de Nederlandse Opwekkings-God niet meer is dan een projectie van postmoderne, beschadigde en onvervulde verlangens, dus van onze leegte. Hij is meer de god van de Edda (de IJslandse mythologie) dan van de Tora, meer de god van de Olympus dan van de Sinai en de heuvel Golgotha. (Natuurlijk heeft de bundel ook goede liederen; het ontbreekt echter aan variatie - de fout ligt n de eenzijdigheid, de vele herhalingen, en de oppervlakkigheid van tekst - te veel antropologie, te weinig theologie.)

De illusie maakt zich om ons heen breed dat, om naar onze ongelovige medemens toe nog relevant over te komen, we moeten afrekenen met de bekrompenheid van het evangelicalisme van de vorige eeuw. Meer dan dertig jaar truttigheid en fundamentalistische geslotenheid - nee, we moeten ons meer plooien naar de tijdgeest. De mensen begrijpen ons anders niet, want we spreken een andere taal. In de jaren 90 van de vorige eeuw werd het bestaan van een ‘kloof' geconstateerd. Ineens die kloof. Conferenties over de kloof. Maar ik vraag: is er ooit iets anders geweest dan een kloof tussen geloof en ongeloof? Laat me enkele bijbelpassages aanvoeren. Lees Lukas 16:26: ‘er is tussen ons en u een onoverkomelijke kloof' (een chasma mega), zegt Abraham tegen de rijke vrek die na zijn dood in een vlam gevangen is. Wat dan vaste bestemming is, is nu tussen mensen al openbaar.

Hoe kun je een vriend van de wereld zijn, en tegelijk vriend van Jezus? We maken ons druk over hoe wij de kloof moeten overbruggen, en vergeten dat de Enige die werkelijk en kloof tussen God en wereld overbrugde Jezus was. ‘Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft ...' (Johannes 3:16). Diezelfde Johannes zegt tegen ons: ‘Hebt de wereld niet lief' (1 Johannes 2:15). God heeft de wereld lief, maar wij mogen dat niet (‘Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem'). Pas dus op: het oneindige verschil tussen God en mens valt nooit weg. Wij kunnen geen geestelijke kloven overbruggen. We overschatten onszelf dan niet alleen, maar verstaan ook onze opdracht verkeerd.

Het doel, relevantie van het evangelie voor deze tijd, heiligt nooit de middelen. Toen Jezus constateerde dat het tempelplein niet meer de plaats was waar heidenen God konden ontmoeten, veegde Hij de stoep van Gods huis schoon (Mattheüs 21:12-13). Het tempelplein was bedoeld om heidenen voor God te brengen, maar allerlei goedbedoelde wereldse aanpassingen bleken in de weg te staan. Zo kan in de kerk
allerlei ‘gedoe' de heiden eerder van God afhouden dan tot Hem leiden. Laagdrempelige aanpassingen om de kloof te overbruggen kunnen de kerkelijke stoep in een pretpark veranderen, een circus waar Hij niets mee te maken heeft. Ongelovigen verwarren het circus met de ware godsdienst, en worden zodoende van meet af aan op het verkeerde been gezet. Zodra de tegenvallers komen en het prettige gevoel voorbij is,
stort het Godsvertrouwen ter aarde. We leiden jonggelovigen zo op voor een anti-rationalistisch sentimentalisme, met een hoog André Hazes gehalte. Veel religieus vermaak krijgt daardoor een infantiel karakter, en Oedipus zit weer ongemerkt achter zijn vader aan.

Laagdrempeligheid is het wachtwoord geworden voor iedere zichzelf respecterende evangelische gemeente. De kloof moet gedicht worden: artiesten demonstreren hun kunnen, pasbekeerde VIPs geven acte de présence, stoer-uitziende vechtsporters slaan dikke planken voor Jezus door, en vooral: veel decibellen overtuigen de jeugd ervan dat de tijd van truttigheid voorbij is. Ik meen dat dit ons op den duur los van God maakt, namelijk: omdat we ons afhankelijk stellen van ‘de wereldgeesten' (stoicheia). We vertrouwen meer op de kracht van de tijdgeest (dat is immers onze brug), dan op Gods Geest.

Kerkgang verwordt dan tot een geestelijke hobby: net zoals voetbalverenigingen sportliefhebbers aantrekt, zo trekt de kerk mensen die God als hobby hebben. Als zij maar genieten en uit hun dak kunnen gaan. Het evangelie wordt zo gecompromitteerd, dat er weinig of niets meer van God bij aanwezig is. Menselijk vermaak is op zich niet verkeerd - begrijp me goed - maar meen niet dat er veel van God in zit (ga van
mijn part helemaal uit je dak, maar noem het daarom niet per definitie iets van God). Dat is een o-zo- verkeerde opvatting. We denken soms groots over ervaringen, omdat die ons in het volle leven raken. Maar waarom zien we God zo snel waar Hij niet is? (Denken wij nou werkelijk dat God in veel herrie woont?)

Een voorbeeld van noncompromitteerbaarheid lezen wij in Handelingen 16:16-18. Daar achtervolgt een waarzeggende vrouw Paulus en zijn vrienden dagenlang. Zij roept daarbij: ‘Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen'. Wij, met ons dogma van relevantie en laagdrempeligheid, zouden nu zeggen: laat haar gaan, want wat zij zegt is waar, en gratis reclame kunnen we best gebruiken. Geef haar het woord zelfs in de samenkomst - een locale VIP die ons steunt, staat goed! Maar haar geblèr begint Paulus tegen te staan, en hij werpt de duivelse geest uit haar. Het evangelie is niet gediend van of door onverwachte bijval uit het heidense kamp. Integendeel. Otto Bauernfeind schreef daar ferme taal over in zijn commentaar op het boek Handelingen (Die Apostelgeschichte [THNT 5; Leipzig, 1939]): ‘die Wahrheit ist hier vielmehr Deckmantel der Bosheit'; deze waarheid is ‘eine Schweinwahrheit', om zo de Delphische god Apollo ook tot god voor de christenen te kronen. Nee, de geestelijke kloof zelf overbruggen is een vorm van vroom zelfbedrog.

We moeten radicaal een andere kant uit. Ik meen dat het onze taak en roeping is om de kloof juist groter te maken. Welke notie hebben wij anders van ‘het heilige'? Het heilige is toch nog altijd een ‘tegenover', of niet soms?. Als wij ‘in heiliging' geroepen zijn (zoals Paulus formuleert, 1 Thessalonicenzen 4:7), dus in een ‘tegenover', hoe kunnen we dan nog in een ‘voorover' willen staan? De kerk heeft niet een
vooroverse, maar een tegenoverse taak. In veel opzichten moet zij positie tegenover de wereld innemen. Dat hoeft haar in het geheel niet terug te dringen in wereldmijding of isolationisme. Om haar taak goed te kunnen doen, dient zij zich juist uitvoerig op de hoogte te stellen van wat er omgaat in maatschappij en cultuur.

Een buitengewoon interessante bijdrage tot een bijbelse en kritische cultuurreflectie biedt Robert Gundry in zijn boek Jesus the Word According to John the Sectarian. A Paleofundamentalist Manifesto for Contemporary Evangelicalism, Especially Its Elites, in North America (Grand Rapids: Eerdmans, 2002).
Men is, zo observeert Gundry, vandaag de dag sterk geneigd om Johannes' exclusivisme te temperen en te ontdoen van scherpe kantjes. Geheel tegen de geest van Johannes in - zijn radicale scheiding tussen ‘hier' en ‘daar', zijn gerichtheid op het ‘woord van boven' en het  eeuwige - is de trent onder evangelicalen om op acute relevantie hier-en-nu gericht te zijn. Veel onderwijs gaat over slechts de praktijk van het christelijke leven, nauwelijks over noties en concepten als hemel en hel, eeuwig leven en eeuwige straf, zonde en schuld. Veel evangelischen zijn er zelfs niet zo zeker meer van dat Jezus Christus de enige weg tot God is.

Gundry waarschuwt daarom tegen de ‘seeker-sensitivity', want het kan zomaar zijn dat de kerkbezoekers de dienst gaan uitmaken. De kerk dient op wat het volk prettig vindt. "The ‘seeker-sensitivity' of evangelicals - their practice of suiting the gospel to the felt needs of people, primarily the bourgeoisie - contributes to their numerical success but can easily sow the seeds of worldliness ... How so? Well, in a society such as ours where people do not feel particularly guilty before God (though in fact they are), seeker-sensitivity - if consistently carried through - will softpedal the preaching of salvation from sin, for such preaching would not meet a felt need of people. As a result, the gospel message of saving, sanctifying grace reduces to a gospel massage of physical, psychological, and social well-being that allows wordliness to flourish."
"The seeker-sensitivity of contemporary evangelicalism has produced a consumerized version of Christianity that can be understood as of a piece with this postmodern revolt of popular, mass culture against high modernism (cf. the kitsch and schlock of much Christian television)."

Met ‘wereldgelijkvormigheid' (‘worldliness') bedoelt Gundry ‘not merely the disregard of fundamentalist taboos against smoking, drinking, dancing, movie-going, gambling and the like, but more expansively such matters as materialism, pleasure-seeking, indiscriminate enjoyment of salacious and violent entertainment, immodesty of dress, voyeurisme, sexual laxity, and divorce (cf. ... 1 John 2:16)' (p. 77, noot 18). Gundry
rekent voor dat uit onderzoeken bleek dat in december 1999 27% van hen die zichzelf als wedergeboren beschouwen in de USA gescheiden zijn of dat zijn geweest (tegen 24% onder hen die niet wedergeboren zijn). Het echtscheidingspercentage is echter 34% onder hen die tot non-denominationale protestantse kerken behoren, dus die uitsluitend als evangelicaal te boek staan.

Ter afsluiting van deze gedachte zij Efeze 4:20 geciteerd: ‘Maar gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen'. De NBG-vertaling van 1951 heeft het Grieks humeis de ouch hout s emathete ton Christon zwak vertaald. De twee zinnetjes zijn één zin: ‘Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen' (Petr. Canisius vertaling). Nog beter is: ‘Maar zo hebben júllie Christus toch niet leren kennen!' Met andere woorden: zo anders dan de andere Efeziërs zijn deze gelovigen nog niet, alhoewel zij wel voor het anders-zijn geroepen zijn. Christus leren kennen impliceert een ‘ander' leven. Zo ‘anders' zijn wij ook nog niet - wij lijken zo verschrikkelijk veel op alle andere mensen, en zijn er nog trots op ook. Wat zijn we zelfingenomen en zelfvoldaan als het om ons aangepaste gedrag gaat. Als excuus wordt de ene na de andere ‘Schweinwahrheit' opgedist: ‘Waarom bezoek jij nog steeds de kroeg?' ‘Omdat ik zo het contact met mijn oude vrienden kan bewaren en hen kan vertellen van Jezus.' ‘Waarom kijk jij naar allerlei ranzige films op TV?'. ‘Omdat ik er dan over kan meepraten - en je moet als christen je hoofd toch niet in de
grond steken; en overigens, ze doen me niets hoor.' ‘Waarom zingen jullie alleen maar uit Opwekking?' ‘Omdat dit genre de ongelovigen het meest aanspreekt - niet omdat we muzikaal dan zelf beter uit de verf komen, of omdat we zelf niets zouden hebben met andere bundels.'

Mijn twijfels over aanpassing van de kerk bij de cultuur deel ik onder meer met Prof. A. van de Beek. Ik verwijs naar zijn in boekvorm uitgewerkte inaugurele rede als hoogleraar Symboliek aan de VU, vul hem aan en vat zijn hoofdgedachte samen (Ontmaskering: Christelijk geloof en cultuur [Zoetermeer: Meinema, 2001] 9-95). Van de Beek constateert dat het in kerk en theologie gebruikelijk geworden is
om positief te staan tegenover de cultuur. Maar de voornaamste theologen van de vroege kerk waren ervan overtuigd dat de kerk het niet op een akkoordje met de cultuur kan gooien. Daarom streden zij zo heftig tegen de invloeden van de kerkelijke gnostiek. Overigens, er zijn volgens Van de Beek ook nu nog duidelijke trekken van Marcion binnen de theologie te bespeuren, vooral onder evangelischen.
Grofweg komt het Marcionitisme hier op neer: God kan voor een lijdende wereld niet verantwoordelijk worden gehouden. God is slechts direct betrokken op het radicaal nieuwe, en juist in evangelische kringen wordt ‘vaak scheiding aangebracht tussen oud en nieuw die heel veel aan Marcion doet denken'. Zo wordt de God van het Oude Testament gedeclasseerd tot tweederangsgod (of ‘jodengod'), en wordt de
Vader van Jezus de hoogste God. Neo-Marcionieten leven alsof zij aan lijden, leven, zonde en schuld ontrukt zijn (docetisering). Zij leven in een idylle - afgelopen zondag hoorde ik nog een predikant zeggen: ‘God kent geen enkel gevoel van wraak'; ik dacht: om dat te zeggen, moet je wel het Oude Testament uit je bijbel hebben gescheurd. Maar het is geheel aangepast aan het levensgevoel van deze tijd om zoiets te zeggen, en zeer laagdrempelig. Je kunt scoren met zinnetjes als: ‘God kan er niets aan doen dat er lijden is, en Hij koestert nooit rancune.' Wie zich op dit hellend vlak van postmoderne gnostiek begeeft, komt uit bij een theologisch failliet, zoals Clark Pinnock en Robert Brow (Ontketende liefde. Een evangelische theologie voor de 21e eeuw [Gorinchem, 2001; Engelse editie 1994]). Failliet betekent: men geeft meer uit dan in
werkelijkheid gedekt is. Ik ageer tegen het ongedekte primaat van Gods liefde.

Onze cultuur anno 21e eeuw, aldus Van de Beek, vertoont - meer dan in de afgelopen 17 eeuwen het geval was - gelijkenis met het Hellenisme (ook bloeit het neo-Nietzscheanisme). Dat moet ons buitengewoon kritisch maken op cultuurchristendom. De verbinding van geloof en macht is geen incident in de kerkgeschiedenis, en steeds zien volgende generaties hoe heilloos die verbinding is. ‘Cultuurchristendom is gedoemd om te verdwijnen'.

Dit voortdurend-verdwijnende karakter van het cultuurchristendom moet ons achterdochtig maken naar tijdgericht activisme (vgl. 1 Cor.   7:31b). Treffend schrijft Van de Beek dat Gods Geest ons een hermeneutiek van het wantrouwen leert om overal waar niet de trouw van Christus is, het ware gezicht van de wereld te ontmaskeren. Dit gezicht staat gelijk aan het laatste ‘grote verhaal' dat de pomo-mens nog kent: ‘dat van het botte kapitalisme'. De macht van het geld, de plutocratie en de cleptocratie, is de nu heersende levensfilosofie. En het byzantijnse christendom heeft tot schade en schande aangetoond dat de kerk zich niet met de schatkist van de keizer moet bemoeien. Christenen zouden het verschil tussen de bloedgetuigen, die voor de leeuwen geworpen werden, en het byzantijnse christendom eens goed op zich moeten laten inwerken, ‘en zich honderdmaal bedenken voordat ze positief de cultuur in het kerkelijke huis toelaten'. (cf. Het oude Rome - christenen versus een ideologieloos hedonisme; Colosseum, entertainment tot de dood erop volgt; de catacomben.)

Het stuit velen tegen de borst om zo wantrouwig te zijn. Van de Beek poneert evenwel: ‘Dat de algemene zondigheid een somber calvinistisch verhaal zou zijn is juist. Maar dat verhaal is wel de waarheid. Dat is nu juist de ellende. Was het maar niet waar. Maar helaas, het is nu eenmaal zo en je moet wel flink oppervlakkig zijn om aan de algemene ellende van de wereld voorbij te gaan'. Met een optimistische mensvisie kunnen christenen van oudsher niet uit de voeten. Ging Van de Beek vroeger nog van het standpunt uit dat alleen theologie niet door ongelovigen bedreven kan worden, nu geldt dat volgens hem ook voor de antropologie. In de antropologie wordt, volgens mij, nauwelijks rekening gehouden met de categorie ‘voorlopigheid'. Elk mens is hier maar tijdelijk, en die tijdelijkheid brengt hij door in boosheid. Prediker schrijft: ‘Dit is het ergste, dat onder de zon geschiedt: dat allen eenzelfde lot treft; daarom is het hart der mensenkinderen vol boosheid en is er verdwaasdheid in hun hart hun leven lang; en daarna gaat het naar de doden' (9:3). De kerk moet juist daarom weer leren wat vreemdelingschap impliceert, beweert Van de Beek. We zijn dus van nature pelgrims, ‘wij hebben hier geen blijvende stad' (Hebreeën 13:14). ‘Hé christen, jij hoort hier niet thuis.' Daar kan onze hysterische cultuur geen kant mee op. We moeten meer over de hemel gaan spreken. Wij, als, christenen, bestaan als vreemdelingen, en botsen tegen onze eindigheid aan. Dat staat op gespannen voet met een cultuur die belooft dat de bomen tot in de hemel groeien.

Christelijke identiteit is geen set van waarden en normen, of een credo, een structuur of organisatie, een programma dat we kunnen aanleren. Christelijke identiteit is gegeven in gemeenschap met de Here Jezus Christus in het gewone leven. Christelijk geloof is daarom niet maar één zoekontwerp onder de vele (zoals Kuitert verdedigt) - volgens Van de Beek is christelijk geloof niet een van de alternatieven op de ideeënmarkt. ‘Het is de waarheid Gods'. Vanuit die vooringenomenheid opteert Van de Beek voor een theologieopleiding met twee spitsen: het kennen van de eigen traditie (en de gemeenschap met Christus daarbinnen), en het kennen van de niet-christelijke wereld. Studie van de vroege kerk moet daarbinnen een centrale plaats krijgen (patristiek). De roep om steeds meer praktische theologie is uit de hand gelopen. De jonge theoloog is niet gebaat bij nog meer aansluiting bij de menswetenschappen (psychologie, gemeentegroei 1,2,3 ..., management): Van de Beek roept ons terug ‘zu der Sache selbst' . Christelijke theologie hoeft zich daarbij niet in een ghetto (en duplex ordo) laten wegdrukken,
maar zal eigen wetenschap en cultuur gaan ontwikkelen. De gedachten van Van de Beek zijn gewaagd en vragen om meer afweging en doordenking. Wij doen daar nu al ons voordeel mee, en grotendeels deel ik zijn analyse. Ik wil nu ook naar een afronding toewerken.

Evangelischen zijn druk op zoek naar identiteit. En dat valt niet mee, want identiteiten vallen bij bosjes, zoals de Spaanse socioloog Manuel Castells heeft aangetoond, zonder dat zij hoeven te worden vervangen. Er wordt bovendien beweerd dat de evangelische beweging voornamelijk slechts een sociologisch en niet theologisch te definiëren fenomeen is. Maar dat vind ik een versmalling van het bestaansrecht dat evangelischen juist theologisch hebben afgedwongen. Evangelisch is meer dan een aantal neuzen die toevallig, bij een sociologische momentopname, dezelfde kant uitwijzen.

Evangelisch betekent, en ik maak hierin een eigen keuze, opstandig en verzettelijk, want radicaal. Die radicaliteit ontlenen evangelischen aan het kruis van Christus, en uitsluitend aan het kruis (stauros). Ik acht de staurocentriciteit kenmerk, keurmerk en waarmerk van de evangelische beweging. Radicaal daarbij blijven, bij een theologia crucis, en een radicale toepassing daarvan in het leven van alle mensen,
dat wil zeggen: op heel de wereld, dat maakt evangelisch tot evangelisch. Luther deed dat in zijn dagen, en de evangelische beweging wilde die reformatie op eigen wijze radicaliseren. Maar nu is zij het compromis aangegaan, omdat over zonde en schuld nauwelijks nog gesproken wordt. Dus waarom zou je dan wel blijven spreken van het kruis? Daar kun je de mensen namelijk niet blij mee maken - dat schept een kloof
en afstand. Nee, daarom praten we veel over Gods liefde, en willen we daar eigenlijk bij blijven.

Dat heeft theologisch enorme gevolgen, want slechts onder de radicaliteit van het kruis krijgen heidenen die tot Christus komen de wet niet opgelegd. Kruisvrije evangelischen lopen dus het gevaar hun toravrijheid te verspelen. Want: hoe minder kruis, hoe meer gebod. Maar hoeveel kruis kunnen evangelischen weglaten zonder hun identiteit te verliezen? Hoeveel noten maken een ‘Nuts' tot een ‘Nuts'? Ik kan de vraag beter omdraaien: hoeveel noten kun je uit een ‘Nuts' weglaten zonder dat je moet zeggen: dat is geen ‘Nuts' meer?

‘Aiai aiai, dustanos eg ' - de pijn van Oedipus is nu bijna voelbaar geworden. Al vermoorden wij ons voorgeslacht niet, het gros van de evangelischen is wars van traditie. Zo schakelt men het voorgeslacht uit, dat meende met de waarheid getrouwd te zijn, om er zelf mee te kunnen trouwen. Met de traditie, waarin zoveel identiteit en geschiedenis worden overgedragen, worden ook de theologische karakteristieken genegeerd. Ja, men heeft wel oppervlakkige gedachten over het kruis, maar er wordt niet meer geleefd met de wetenschap dat ‘het uiterlijk van deze wereld bezig is te verdwijnen' (1 Kor. 7:31b). Dat betekent dat wereldse identiteiten in het teken van de voorlopigheid en het einde staan: zij zijn stervende en lossen vanzelf. Maar merk op dat christelijke identiteit juist vanuit die verdwijning leeft. Ja, zij maakt die voorlopigheid tot haar motto en erkent daarmee de eindigheid en voorlopigheid van het bestaan. Ook haar eigen zichtbare gestalte lost op. Daarom zeggen wij dat de kerk in de wereld geen gestalte heeft. Precies zoals de lijdende knecht in de profetie van Jesaja - niets aantrekkelijks, ‘hij had noch gestalte noch luister' (Jesaja 53:2). De kerk heeft dat van nature ook niet, en zij moet dat ook niet wensen. Zij moet niet een voor de wereld aantrekkelijke gemeente willen zijn. De kerk hoeft niet over de catwalk te paraderen en de show te stelen, want wij zullen het als christenen niet verder brengen dan Jezus in deze wereld. Wij streven Hem niet voorbij - alles wat daar wel aan voorbij gaat is kerkelijk docetisme. Hoger springen dan het kruis kunnen wij niet. De evangelische traditie bewaart dit geheim nu nog in zich - laat ons daarnaar zoeken.
Ik heb gezegd.
                                                                                                                                                   

© 2003 George Whitefield Stichting. online: www.whitefield.nl/artikelen".

Ere wie ere toekomt                    
50 jaar Baptisten Gemeente Scheveningen

BGS nummer 1303196013032010

Voorwoord

Beste lezer,

“Als de HERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan; als de HERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.”  Psalm 127 : 1.
Dit boekje dragen we in dankbaarheid op aan God, de Schepper van hemel en aarde die ons tot vandaag toe heeft geleid. Dankbaar zijn we dat we ons vijftigjarig jubileum mogen vieren.
Dit boekje laat zien dat we mogen terugzien op een periode van vijftig jaar, een halve eeuw, waarin we Gods bescherming hebben ervaren en vandaar uit, elkaar tot steun mochten zijn in ons geloof en om te mogen getuigen aan velen van Zijn liefde. Een weg met de Heer, vanaf het begin met dominee K. Corporaal tot aan nu met de nieuwe voorganger die door God aan ons is gegeven, dominee G. Sipkema. In die vijftig jaar waren er vele voorgangers die de gemeente weer een stapje verder mochten brengen op die lange weg. Er waren ook lange perioden zonder voorganger en dan ook, werden we op een bijzondere manier geleid en beschermd.
Het was niet altijd gemakkelijk om de juiste weg te gaan. Diverse malen kwamen er hindernissen op de weg, maar dan mochten we altijd naar de Heer gaan met de vraag, wat wilt u dat we doen zullen. Zo kunnen we uit ervaring vertellen dat de Heer er altijd was.

“Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken;” (Psalm 37:5).
Voor ons is de belofte in die vijftig jaar getrouw gebleken.
Velen die op die weg hebben meegelopen hebben we aan de aarde moeten toevertrouwen maar in het geloof, dat zij bij de Heer geborgen zijn. Anderen zijn of verhuisd of hebben een andere weg gekozen, maar God heeft over de gemeente gewaakt en altijd weer mensen toegevoegd.
We staan nu in een zeer turbulente tijd. Aan alle waarden wordt getwijfeld en de aanvallen zijn groot, maar vol vertrouwen in God gaan we verder - “...langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees.” (Hebreeën 10:20).

De weg, die we samen mogen gaan; dat is de weg waar we elkaar mogen versterken in het geloof, de weg waar we met vallen en opstaan mogen leren hetgeen Jezus zelf zegt dat het grootste gebod is:
“en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod groter dan deze, bestaat niet.” Marcus 12 : 30 en 31.
Lieve mensen dit is voor ons een levensopdracht en zo zullen we verder gaan, totdat Hij komt!
 
De raad van de Baptistengemeente Scheveningen

Herinneringen

Het was in het jaar 1955 toen de fam. Meerbeek een ommetje ging maken. Ze waren net ouders geworden van hun derde kind en zij pikten samen een boulevardje, terwijl de oudste oppaste. Nu stond er op de boulevard een tent en ome Gerard (dhr. Meerbeek) wilde daar wel even kijken, terwijl tante Trien (mevr. Meerbeek) door wilde lopen i.v.m. de kinderen.
Toch bleven ze luisteren naar de boodschap die in de tent werd gebracht. Een boodschap uit de Bijbel dat als je Hem aanneemt je behouden bent. Ome Gerard was zo onder de indruk en zo bewogen dat hij op zijn knieën viel en de Here Jezus aannam in zijn hart.
Tante Trien was boos. De kinderen alleen thuis en ome Gerard had twee jaar geleden belijdenis gedaan!
Zij heeft mij dat kortgeleden verteld. Zij is inmiddels 83 jaar oud. Destijds was ze er niet zo blij mee maar later des te meer……!

Dit was het verhaal van de  eerste tentcampagne van de Haagsche Baptisten Gemeente.
Ds. Harkema sprak daar. Hij was in 1954 als voorganger begonnen in den Haag.

Adrie Wulffelé

Hieronder volgen enkele fragmenten uit een ‘vertrouwelijk’ stuk gericht aan de Raad van de Haagse Baptisten Gemeente.

‘s Gravenhage, 12 december 1959.

Aan de Raad der gemeente (VERTROUWELIJK)

In verband met de gehouden vergadering der Raad op 9 nov. j.l. alwaar ter sprake kwam het gebrek aan ruimte in ons tegenwoordige gebouw, werd door Br. A. Gebel de vraag gesteld of het in dezen niet wenselijk zou zijn eens de mogelijkheden inzake de arbeid in Scheveningen nader onder ogen te zien en te overwegen of aldaar ook in de nabije toekomst tot verdere stappen zou kunnen worden overgegaan b.v. instituering van een eigen Gemeente aldaar. Dit zou gelijktijdig voor Den Haag weer meerdere ruimte brengen.
De Raad besloot toen op voorstel van de Voorzitter, dat het dagelijks Bestuur één en ander zou onderzoeken en op Maandag 14 December een bijzondere vergadering der Raad aan dit punt gewijd zou worden. Wij willen dan ook als dagelijks bestuur u hierbij gaarne onze overwegingen aanbieden ter nadere bespreking in de vergadering van a.s. Maandagavond 8 uur.
Het wil het dagelijks bestuur voorkomen, dat het wenselijk is dat de Raad eerst principieel haar standpunt bepaald ten opzichte van de voortzetting onzer arbeid in Den Haag e.o.

Uitspraak over de voortzetting van de arbeid in Den Haag en omstreken.

Het geheel biedt slechts 2 mogelijkheden:
a. In het Gentrum van de stad blijft één Baptisten Gemeente, tot welker Gemeente dan
alle leden, wonende in de stad Den Haag, alsmede de omliggende gemeenten Rijswijk-Voorburg - Leidschendam behoren, alsmede de leden van Scheveningen.
Men heeft dan de g r o t e  c e n t r a l e  Gemeente van Den Haag e.o.
Bezwaren: Het wil het DB voorkomen, dat Den Haag met één centrale Baptisten Gemeente waartoe alle leden behoren niet kan volstaan.
(hierna worden een achttal bezwaren genoemd)  ..............................

b. Decentralisatie - de tweede mogelijkheid. Dat houdt in dat er in Den Haag zeker 3 Baptisten Gemeenten zouden zijn, zo mogelijk in de verre toekomst nog meer.
Als eerste mogelijkheid ligt dan in het verschiet Scheveningen, als tweede Moerwijk.
SCHEVENINGEN. Hier arbeiden we nu vier jaren en het is de Raad bekend met welk een zegen. We kunnen echter op deze wijze van ‘Evangelisatie-post’ niet blijven doorwerken. De bezoekers worden veel te veel gewend aan het ‘kring-idee’ en er komt zó zeer beslist geen Gemeentelijke binding.
Dit idee van ‘kring’ of ‘groep’ te zijn willen we als Baptisten Gemeente toch niet in de hand werken. Het is voor korte tijd aanvaardbaar, om de aanloop te krijgen tot Gemeente-vorming - maar het mag geen t o e s t a n d worden. De Gemeente moet gezien worden. De mensen moeten niet gewend blijven raken aan ‘de heerlijke avond’. Als wij nog langer op deze wijze in Scheveningen zouden voortgaan wil het het dagelijks bestuur voorkomen dat we beslist ‘fout’ gaan in de fundering van de arbeid in Scheveningen.
Daar komt bij dat de leden wonende in Scheveningen zelf verlangen naar de instituering van de post tot Gemeente. De Zusterhulp telt een behoorlijk aantal leden, de Zondagsschool gaat 3 Jan. starten. Er is reeds verzoek om aldaar een Meisjesvereniging te houden - verlangen naar bijbellezing en bidstond, Het DB is van mening dat in de naaste toekomst Scheveningen geïnstitueerd zal moeten worden. Er is ook behoefte aan de Eredienst en samenkomst der Gemeente. Sommige Scheveningers komen niet meer in hun eigen kerk, kunnen het daar niet meer vinden, maar de afstand naar den Haag, o.a. met de tram te gaan is voor hen bezwaarlijk.
In totaal zijn in Scheveningen momenteel 52 leden. Dat is in het werkelijke Scheveningen. Grens getrokken zoals deze ook plaatselijk is vastgesteld.

Moerwijk Naar schatting zijn .....................................

Algemene overweging.

We zullen als Baptisme in den Haag, de buitenwijken van onze stad in moeten. Het DB is van mening dat decentralisatie geboden is, zal het Baptisne in Den Haag tot grotere uitbreiding komen en ook willen komen.
Het is niet te zeggen welk een bedrag aan Tramgelden des Zondags worden uitgegeven, als deze bedragen eens in de Gemeenten zouden vloeien, zou heel wat meer te bereiken zijn. Bovendien is het bezwaarlijk dat de leden reeds zo ontzettend vroeg van huis moeten en weer laat thuis komen, wanneer men naar één centrale Gemeente moet. Alle deze redenen zullen serieus onder ogen gezien moeten worden.
Bovendien zullen we met 3 Gemeenten tot meer serieuze bearbeiding kunnen komen en blijft de Gemeentelijke band beter bewaard. Nu dreigen we kerk te worden.
Eén centrale Gemeente heeft bovendien nog tegen:
Over tien of 15 jaar, zal de binnenstad voor het merendeel bestaan uit grote gebouwen en meer en meer mensen zullen de binnenstad verlaten, zich in de buitenwijken vestigen. We zouden dan precies in dezelfde situatie terecht komen waarin thans de Herv. en Lutherse kerken zich bevinden in de binnenstad, Een ontvolkte binnenstad, geeft ook ontvolkte kerkgebouwen.

Het dagelijks bestuur stelt de Raad dan ook voor:

Te overwegen om in Maart 1960 tot instituering van de Gemeente te Scheveningen over te gaan. Deze Gemeente zou dan nog op de komende A.V. Unie 1960 in de Unie kunnen worden opgenomen.
Voorlopig zou men de eerste tijd om even de aanvang te krijgen kunnen volstaan met één Eredienst op zondag, totdat een eventuele Voorganger beroepen zou zijn en beroep zou hebben aangenomen.
Men zal naar een vergaderplaats moeten uitzien. Dit zal zeker een gehuurde zaal moeten zijn, wil men niet direct op onoverkomelijke kosten komen.
Het DB denkt hieraan een gehuurde gymnastiek-lokaal of Aula van een School, welke meestal goedkoper zijn dan andere zalen. Onze Gereformeerde en Chr. Ger. brs. en zrs. zijn meestal ook zo begonnen.

De Voorganger van de Gemeente Den Haag zou het consulentschap dezer Gemeente moeten bekleden.
Voor de verzorging van de Erediensten op Zondag in Scheveningen zal gezorgd moeten worden door de dan door de Gemeente Scheveningen verkozen Raad dezer Gemeente.

Na instituering zal ook de Gemeente zelfstandig tot het beroepingswerk moet overgaan.
Het is wel duidelijk dat Ds. Harkema niet direct de gehele arbeid van Scheveningen zal kunnen loslaten, maar dat dit langzaam moet geschieden om alzo de nieuwe voorganger in te werken en vanuit dit gezamenlijk dienen langzaam te komen tot het gehee1 loslaten van de arbeid in Scheveningen.

(Hierna geeft men nog een financieel plaatje wat de kosten zouden zijn).


Instituering van de Baptistengemeente Scheveningen 
 
Onder zeer grote belangstelling werd jl. zondag in de aula van het Joh. de Wittlyceum, Nieuwe Duinweg te Scheveningen een Baptisten Gemeente geïnstitueerd De Wethouder van Economische zaken Mr. R. M. v. Reenen, vertegenwoordigde het college van B. en W.De plaatselijke Oecumenische Raad van kerken was vertegenwoordigd door de voorzitter Ds. A. P. v. d. Haas. De institueringsdienst stond onder leiding van Ds. W. Harkema, Baptisten predikant in Den Haag, die een duidelijke institueringsrede hield naar aanleiding van 1 Cor. 12:27 en Hebr. 3 :4.
De Baptisten, aldus Ds. Harkema, zijn niet erg gesteld op grote gemeenten waarin men elkaar nauwelijks kent. De onderlinge gemeenschap in kleine gemeenten is een grote zegen voor deze tijd.
Vervolgens stelde hij de vraag waarin de Baptisten zich onderscheiden van andere Gemeenten. Zij zien de Gemeente als een Gemeente van verlosten. Bij toetreding tot de Gemeente wordt naar het geloof gevraagd. Wanneer dat geloof aanwezig is, mag pas gedoopt worden. Geloof en doop zijn de principes van de Gemeentevorming bij de Baptisten. Baptisten Gemeenten zijn autonoom en mondig. Er staat geen andere instantie boven hen dan Jezus Christus. Ds. Harkema wekte de leden van de nieuwe Scheveningse Gemeente op in deze wereld te getuigen van het heil in Christus Jezus.
Na voorlezing van een verklaring, waarin het principe en doel van de nieuwe Gemeente was neergelegd, institueerde Ds. Harkema de Scheveningse Gemeente en ging daarna over tot de bevestiging van twee ouderlingen, t.w. de heren W. Bots en H. Akker en twee diakenen, de heren C. Dijkhuizen en J. G. Knoester.
Hierna werd het woord gevoerd door de heer Jac. Boiten, sekretaris van de Baptisten Gemeente te Den Haag, die de Gemeente Scheveningen een Kanselbijbel aanbood. Namens de diaconessen en personeel van het Diaconessenhuis ‘Tabitha’ bood de besturende Zr. A. Luyten een Avondmaalsstel aan. Namens de nieuwe Gemeente werd door de heer G. Knoester een aantal exemplaren van de zangbundel der Baptisten ‘Lofzangen en Gebeden’ aangeboden. De Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland deed haar zegenwensen uitspreken door haar sekretaris ds. T. Jansma van Arnhem. Namens de Gemeenten uit het Gewest Holland sprak ouderling J. Tesser uit Rotterdam. Aan het slot werd nog gesproken door de oudste emeritus predikant der Baptisten In Nederland. Ds. J.W. Weenink te Haarlem. De heer W. Bots, ouderling van de Gemeente Scheveningen, sprak daarna een dankwoord tot alle aanwezigen

Uit de Scheveningse Courant van 19 maart 1960

Slotwoord door de Gemeente Scheveningen gesproken

Ps. 118: 24, 23,29 “Dit is de dag die de Here gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen. .... van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen. .... Looft de Here, want Hij is goed, ja zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.”

Voorganger, Raad, en Gemeente den Haag. Het ontbreekt ons in deze ure aan woorden waarmee wij onze gevoelens zouden willen vertolken. Onze harten zijn vol dankbaarheid voor alles wat de Here ons deze dag bereid heeft. Hem zijn wij dan ook in de eerste plaats grote dank verschuldigd. En omdat wij weten dat God ook mensen inschakelt in Zijn dienst, en gebruiken wil als werktuigen, willen wij naast God ook de Gem. Den Haag hartelijk dank brengen voor alles wat zij voor de jonge Gemeente gedaan heeft, en nog wil doen.
De raad der Gemeente met haar Voorz. Ds. Harkema zijn wij in ‘t bijzonder veel dank verschuldigd. Veel tijd en moeite heeft het haar gekost om een goed uitgewerkt plan betreffende Instituering van een Gemeente te Schev. Aan de Gemeente voor te leggen. De Gemeente Den Haag zijn wij zeer dankbaar, dat zij de voorstellen haar gedaan door de Raad der Gemeente als ‘t ware met gejuich begroete en ook zodanig aanvaarde.
Raad en Gemeente Den Haag, ook danken wij U hartelijk voor de wijze waarop U ons uitgeleide doet. Voor de helpende hand die U ons nu, en voor de toekomst toesteekt.
Wat de toekomst betreft zullen wij U nog wel eens nodig hebben, want wij beschikken nog niet over een eigen doopfond, maar wel verwachten wij doopaanvragen.
Dan willen wij Ds. Harkema vanaf deze plaats dank zeggen dat hij zich bereid verklaard heeft om het Consulentschap van de Nw. Gemeente op zich te nemen, en de Gem. den Haag dat zij haar Voorganger hiervoor wil afstaan.

Dan rest ons nog om heel hartelijk dank te zeggen voor de prachtige kansel Bijbel ons door U geschonken, wij hopen dat hij een waardige plaats in onze Gemeente mag innemen, want ook wij als jonge Gemeente aanvaarden als grondslag de geopenbaarde Waarheid Gods, zoals die in de Bijbel, welks inhoud wij als het onfeilbaar woord aannemen, vervat is.
Moge de Here zijn werk in de Gemeenten zegenen.

Door wie dit slotwoord is uitgesproken is niet bekend.

Gemeente Scheveningen 50 jaar

Voordat de gemeente geïnstitueerd werd was er al veel werk verricht in Scheveningen. Ik denk aan de tentcampagnes op de boulevard, vanuit de Haagse Gemeente. De storm dwong ons op een bepaald moment, om de tent naar beneden te halen, ondanks de hulp van vele zusters uit Tabitha, die met veel moed de tentpalen probeerden vast te houden. De storm was te sterk.   De tentbewaker was broeder Turfboer, ook wel bekend als ‘Witte Koos, de Fransman’.
Op de vrijdagavond was de evangelisatiedienst in de Keizerstraat. Vanuit de Haagse Baptistengemeente kwam veel hulp en later kon worden overgegaan tot het stichten van een nieuwe gemeente, die plaatsvond op 13 maart 1960. De eerste diensten werden gehouden in de Doornstraat. Dat was een gezellig onderkomen, maar de buren hadden last van ons. We zijn toen verhuisd naar een school, waar we op zaterdag de gymzaal moesten veranderen in een kerkzaal. Het zangkoor repeteerde in die tijd onder leiding van broeder Roos.

De eerste die gedoopt werd was br. G. Jol. Voor mij was dat de eerste doopdienst met aansluitend de avondmaalsviering. Scheveningen was voor mij de eerste gemeente.

We hadden toen een jeugdgroep van 20 jonge mensen waaruit ook een muziekgroep ontstond. Op zondagmiddag hielden we een openlucht bijeenkomst bij de waterpartij achter Madurodam. Er werd veel gezongen en muziek gemaakt. Het ontbrak ons niet aan toehoorders.

Scheveningers die gedoopt werden, kregen vaak problemen met hun familie. De familie stond er niet achter. De doperse visie op de doop kwam niet overeen met de reformatorische visie op de doop. In de Hervormde kerk werd een avond gehouden over de kinderdoop als reactie op het werk van de Baptistengemeente.

Door Gods genade groeide de gemeente. De zegen van de Heer rustte op het werk. Nu de gemeente  50 jaar bestaat is dat te danken aan Gods zegen en het werk van de Heilige Geest.

Omdat de gemeente, de gemeente van de Heer is kunnen we met vol vertrouwen de toekomst in gaan. Ik wens u allen Gods zegen toe en een juiste visie voor de toekomst.

Denk niet te klein over Gods zegen.

K. Corporaal

Welkom aan ds. Corporaal

Eind’lijk is het uur gekomen,
       Reeds zolang door ons verwacht.
De vervulling onzer dromen,
    Door de Heiland hier gebracht.
Schevening’ zag met verlangen,
    Uw komst uit Hamburg tegemoet.
Met vreugde willen we U ontvangen,
    En dankbaar zingen: ‘God is goed’.
Wij als jong’ Baptistgemeente,
    U, als jonge predikant,
Gaan, zo God het wil, met Zijn hulpe,
    Samen voorwaarts, hand in hand.
Schevening’ voor Jezus winnen,
    Zij de keuz’ van jong en oud;
Biddend strijden, overwinnen,
    Met ‘s Geestes zwaard, U toevertrouwd.
Een corporaal noemt men in ‘t leger,
    De ‘Escouade commandant.’
Maar de naam door U verkregen,
    Is ‘Corporaal de predikant!’
Voer ons aan, in Jezus’ naam,
    Trots de helmacht gruwt en gromt,
God zal de duisternis beschamen,
    In ‘t Maranatha! Jezus komt!
Blijf tot zolang de kudde hoeden,
    Breng aan de wereld ‘t Goddelijk Woord.
Met ‘t manna ‘de Gemeente voeden’,
    Zo worde onze beê verhoord!

Dit gedicht werd bij de inzegening van ds. Corporaal door de nog zeer jonge (16 jaar) Adrie Dijkhuizen voorgedragen.

Jaarverslag Baptisten Gemeente Scheveningen over 1960

Eigenlijk kunnen we niet spreken van een jaarverslag, want zoals U allen wel weet bestaat onze Gemeente nog geen jaar.
Het ontstaan van de Gemeente is dan ook de eerste gebeurtenis die we te melden hebben Geen onzer zal voor zover wij die dag hebben meegemaakt licht vergeten.
13 maart.1960 Instituering der Gemeente Scheveningen, in de Aula van het Joh. de Witt Lyceum. Nw. Duinweg. Waar wij als een kleine groep mensen een grote verantwoording op ons hebben genomen. Maar ook toen waren wij overtuigd van Gods grote - kracht, en trouw.
Met Gods genade hebben we het durven aanvaarden, het was een wonder in onze ogen, maar God heeft onze verwachting met daden beantwoord. Hem zij de eer.
Waren wij nu als Gemeente geinstutieerd, zo moesten wij ook vergaderruimte hebben. Dit vonden wij in de Badhuisstraat, in het gebouw van het Soc. Wijkcentrum, waar wij des Zondags eenmaal mochten samen komen, en wel ’s middags om 4 uur.
Dit namen we ons voor, zou maar tijdelijk zijn, en het is uitgekomen ook.

20 maart de Zondag na de Instituering besloot de Gemeente zich aan te sluiten bij de Unie van Baptistengemeenten in Nederland.
Als antwoord daarop, ontvingen wij op 19 april een afvaardiging van de Unie Commissie, en wel de broeders Ds. G. Vegter en F. T. Sikkema. Bij monde van deze broeders werden wij hartelijk welkom geheten in de rij der Unie Gemeenten.
Ook werd in deze vergadering het Huishoudelijk Reglement aangenomen.

Tentweek 13 t/m 19 juni 1960.

De éne grote gebeurtenis volgde de andere op, hadden we geen bijzondere tentweek het afgelopen jaar? Wie zal de zegeningen tellen van die week. Zielen kwamen tot Jezus, en er was blijdschap in de Gemeente, maar ook bij de engelen Gods in den hemel.

Op Zondag 22 juni wordt de Gemeente achter gehouden inzake beroepingswerk, en wordt met grote meerderheid van stemmen een beroep uitgebracht op Student K. Corporaal.
Dinsdag 26 juli ontvangen we bericht van hem, die we hebben beroepen dat hij het aanneemt, grote blijdschap bij de Raadsleden en ook in de Gemeente.
Zondag 17 juli wordt de Gemeente bekend gemaakt dat er in de Doornstraat 25 een Herenhuis te koop staat, en wordt de Raad vrij mandaat verleent, om een voorlopige koop te sluiten, en nadat toestemming van B en W. is verkregen over te gaan tot officiële koop. Toestemming van B en W behelst een aanvrage om bovengenoemd pand te mogen gebruiken als bedrijfspand. Ook worden op deze verg. de Statuten behandeld, en aanvaard. Dit is nodig om rechtsgeldigheid te verkrijgen, wat nodig is bij elke transactie.

Op 20 juli wordt het voorlopig koopcontract getekend.
Door middel en medewerking van onze Makelaar, dhr. Wagenaar gelukt het ons om tegen begin aug. reeds toestemming te hebben van B en W, om Doornstraat 25 te mogen gebruiken ten behoeve van ons Gemeentewerk. Zodoende wordt op woensdag 4 aug de koopacte gepasseerd, bij Notaris Jalick, Groot Hertoginnelaan. Getekend door Ds. W. Harkema en Uw secr. Hierbij waren tegenwoordig br. J. Boiten namens de Haagse Gemeente plus de beide Makelaars.
En hiermede hadden wij een eigen woonstede gekocht voor de Gemeente, want dank zij de broederlijke medewerking van dhr Wagenaar konden wij bij de Zuid - Holl. Bank een Credit rekening-courant openen van F.50.000,-. Dit waren grote gebeurtenissen, waar eveneens grote konsekwenties aan vast kleefden.

Bevestiging en intrede van Ds. K . Corporaal.

18 sept. was het opnieuw een grote dag in de geschiedenis der Gemeente. Op deze dag gingen Gemeente en Voorganger zich in tegenwoordigheid van onze Zuster-Gemeente Den Haag aan elkander verbinden. Het is een dag geworden die wij niet licht zullen vergeten.

28 okt. staat bekend als de vrijdag waar we onze huisjes uitgereikt hebben aan onze vrienden, t.b.v. van onze Bouwfondskas. De vruchten die we hiervan mogen plukken bewijzen dat de vrienden der Gemeente willen meehelpen om de lasten te verlichten.

De Kerstdagen stonden in het teken van samenwerking met de Moeder-Gemeente, want op de 2e Kerstdag hadden we een gezamenlijk liefdemaal in Den Haag. Een mooie dienst.
In vogelvlucht hebben we zo, de belangrijkste gebeurtenissen de revue laten passeren, in werkelijkheid is er echter veel meer gebeurd, we denken aan de vele gezegende diensten die wij mochten houden in ons Centrum. De Heer heeft ons in die korte tijd dat wij bestaan rijkelijk gezegend.
Bij de Instituering op 13 maart bedroeg het aantal leden 45. 11 leden kwamen met att. binnen, 2 vertrokken zodat het aantal leden op 1 jan ‘61, 54 bedroeg.
De Gemeente telt thans vier jeugdver. te weten grote jeugd - tussenjeugd - twee meisjesver. Zondagsschool - Catechisatie - en daarnaast onze Vrouwenver. Zusterhulp. Deze bestond echter al voor de Gemeente er was. Onze vrijdagavond samenkomsten konden geregeld doorgang vinden, met medewerking van Ds. W. Harkema. Onze Zondagsdiensten houden we vanaf 25 sept in ons Centrum, waar we tussen de verbouwing door ook onze doordeweekse samenkomsten konden houden.

Op allerlei wijze wordt er gewerkt, op verschillende terreinen der Gemeente, en onze bede is dat het zo moge doorgaan, en dat kan zo doorgaan, alleen op één voorwaarde, wanneer wij maar getrouw zijn. Wij zijn er van overtuigd, dat wanneer wij God en de Gemeente gaan dienen met de inzet van ons zelf, met onze liefde - met onze toewijding - met onze trouw, en eveneens met onze gaven, dan zullen we ondervinden, dat de sluizen des hemels geopend worden, en dat de zegen bij stromen zal neerdalen.

De begroting

De begroting van het volledige jaar 1961 zag er in het begin heel anders uit dan tegenwoordig. Het staat natuurlijk nog in guldens aangegeven, maar als je het zou omrekenen naar euro’s dan zien we dat de hele begroting niet meer behelsde dan ongeveer € 6772,-. Omdat de ontvangsten een stuk hoger lagen werd de begroting voor 1962 vastgesteld op maar liefst € 8931,-.

Begroting v. d. Baptistengemeente Scheveningen.
  Ontvangsten        Begroot    Ontvangen      Begroot
                                1961        1961            1962
Vaste bijdragen     f  4.500,-    f   4.970,-    f   5.000,-
Collecten              f  2.200,-    f   2.470,-    f   2.550,-
bidstonden           f     400,-    f      350,-    f      350,-
Giften                  f     150,-    f        45,-    f      100,-
Diaconie               f     200,-    f      214,-    f      250,-
Subsidie                f  2.800,-    f   2.800,-    f   2.100,-
Unie collecten        f     700,-    f      580,-    f      700,-
Bouwfonds            f  3.000,-    f   3.525,-    f   3.550,-
Paasdankoffer        f     150,-    f      136,-    f      150,-
(orgel)
Avondmaal             f    450,-    f      564,-    f      575,-
Evangelisatie          f       - -,-    f   2.485,-    f   2.500,-
Orgelfonds            f       - -,-    f      544,-    f      370,-
Doopkleding          f       - -,-    f        45,-    f         - -,-
Kerkbode              f       - -,-    f        13,-    f        75,-
Noodfonds /Kongo f       - -,-    f      106,-    f      130,-
Diversen               f      250,-    f      142,-    f      150,-
Dankoffer (oogst)  f      100,-    f         - -,-    f         - -,-
Zaaierwerk            f        - -,-    f         - -,-    f    1.100,-
                           f 14.900,-    f  18.989,-    f 19.650,-

Herinneringen

Mijn vader was eerlijk, streng en oprecht en jarenlang zoekende. Hij zei tegen ons,  zijn kinderen: ‘onderzoekt alle dingen en behoudt het goede’.
Aangezien hij gereformeerd was en mijn moeder hervormd, had hij deze kerken al bezocht, maar niet gevonden wat hij zocht!
Zo ging hij van kerk naar kerk van Mormonen tot Jehova’s getuigen en vond niet wat hij zocht tot hij in 1957 een gesprek kreeg met een oud Schevenings vrouwtje: ‘Ouwe Sientje’.
Het leven was niet vlekkeloos aan haar voorbij gegaan. Ouwe Sientje vertelde mijn vader, die nog steeds zoekende was, dat hij maar eens naar de ‘Jongelingen Vereeniging’  moest gaan luisteren, want daar sprak ds. Harkema van de Baptisten. En zo is het gebeurd en kwamen mijn vader en moeder bij de Baptisten Gemeente en wij als kinderen  moesten een hele ommezwaai maken. De familie, streng hervormd, kwam niet meer bij ons, op een enkele na.
Met Oud en Nieuw  om 12:00 uur bidden terwijl de rotjes in je zak brandden!
Op zondag op de fiets naar de kerk. Onderweg reden de zusters van Tabitha mee en mijn vader maar zingen: ‘Er komen stromen van zegen’ en ‘Welk een vriend is onze Jezus’.
Hij had een harde stem (hij was visboer en prees met zijn stem zijn waren aan).
‘Fijn, hè’ zei hij dan. Ik was dertien en wilde wel onzichtbaar zijn, maar om mijn vader niet teleur te stellen zei ik : ja!
Ik had hele goede en liefhebbende ouders.

Adrie Wulffelé

Herinneringen

De Scheveningse Baptisten Gemeente, ontstaan uit evangelisatie vanuit de Haagse Baptisten Gemeente, werd in 1960 geïnstitueerd. Een hele plechtigheid met heel veel sprekers in de gymzaal van het Joh. de Witt Lyceum aan de Nieuwe Duinweg op Scheveningen.  Er waren 30 à 40 leden en heel veel vrienden.
Het was best moeilijk voor Scheveningers, van oudsher hervormd of gereformeerd of iets verwant daaraan.
Ik kan mij nog herinneren dat bij mij op de lagere school de onderwijzeres vertelde dat zij bij een doopdienst in Leiden was geweest waar mensen kopje ondergingen! Wij als kinderen waren zeer verbaasd want dat hadden wij nog nooit gehoord. Dit was rond 1955.
En toen dus een Baptisten Gemeente op Scheveningen.
‘s-Zondags kwamen we samen in het Wijkcentrum hoek Badhuisstraat, waar nu het Stadsdeelkantoor is.
Het eerste kindje dat opgedragen werd was Yvonne Lamina, dochter van Jan en Janny Meyer.
Wist u dat het gebouw in de Doornstraat mede werd gefinancierd door het werk van
br. Akker, één van de eerste raadsleden? Hij werkte in de gevangenis en heeft uren en uren gestoken in het ophalen van oude kranten en dit alles op zijn fiets. De papierprijs was hoog en br. Akker was altijd paraat om de kranten bij iedereen thuis op te halen.
Ja, veel markante mensen kan ik mij nog herinneren uit die beginperiode.
Een kleine gemeente met veel energie en een groot vertrouwen op hun Heer en Heiland.

Adrie Wulffelé.

Een foto van de eerste jaren van de Baptistengemeente Scheveningen. Wat u ziet is een dagje uit met Zusterhulp. Ze staan voor de Kerkzaal aan de Doornstraat. Links achter ziet u ds. Corporaal en helemaal rechts br. Bots (secretaris). Derde van rechts (bovenaan) zr. Zerbst (organiste en jeugdleidster). Beneden (gehurkt) zr. Roos-Vlaardingerbroek en daarnaast zr. Knoester. In het midden (onderaan) zr. Groen, daarboven zr. Jol en zr. Vermeer-Jol. Naast br. Bots de chauffeur. Het meisje met de hond is een dochter van zr. Roos, ze deed haar moeder uitgeleide. Vierde van rechts bovenaan zr. Dijkhuizen.
Wat we zien op de foto is geweest, we kunnen daar niet bij stilstaan. De weg ligt voor ons. En toch mag en moet ik even achterom kijken en zeggen, toch een fijne tijd gehad. Ik dank God daarvoor.

G. Z. Jol. (✝)

Geachte lezers

Wij (dochters) hebben de brief gelezen die u aan onze vader heeft gestuurd.
Allereerst gefeliciteerd met het 50-jarig bestaan. Wij denken nog altijd met veel plezier terug aan de tijd in Scheveningen.
 
Helaas is mijn vader niet meer in staat een bijdrage te leveren aan een gedenkboekje. Zijn geheugen laat hem ernstig in de steek en ook zijn lichamelijke toestand is zwak. Herinneringen uit het verleden lopen allemaal door elkaar. Na het overlijden van mijn moeder afgelopen april 2009 is dat er niet beter op geworden.
 
Wij wensen u en de gemeente een gezegende viering toe en Gods zegen voor de gemeente in de komende jaren.
 
Met vriendelijke groeten, ook namens mijn vader.
 
Emmy en Anja PLoeger.

Uit Haagse verslagen

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Haagse Baptistengemeente op 29 juni 1992 (gevierd op 20 september 1992) is door ds. G. Vegter aan de hand van o.a. vergadernotulen en jaarverslagen een herdenkingsboek samengesteld onder de titel van “DE KRACHTEN BUNDELEN, een eeuw Baptistengemeente in ’s Gravenhage (1892-1992)”.

Omdat de Baptistengemeente Scheveningen is ontstaan uit evangelisatiewerk van de Haagse Gemeente, zijn verschillende passages in het herdenkingsboek ook aan de arbeid in Scheveningen gewijd.

Een groot aantal van deze passages zijn hierna opgenomen om een goed beeld te geven over de ontstaansgeschiedenis en het begin van onze Gemeente.

1955
In ‘De Christen’ van 9 september 1955 schrijft W. Harkema over ‘Zes weken tentevangelisatie-kruistocht in Den Haag’. In deze kruistocht werden 36 evangelisatiesamenkomsten in Den Haag gehouden. Ook een aantal kinderbijeenkomsten. Men bereidde die in de gemeente voor in gebed. De kruistocht duurde van 18 juli tot 28 augustus. De tent werd in vier gedeelten van wijken steeds een week geplaatst en de laatste twee weken op de Boulevard aan het strand van Scheveningen. Heel de gemeente moest voor deze kruistocht in de benen komen: meewerkende krachten, zangers, speellieden, tentoppassers, folderverspreiders en wat dies meer zij.

‘Allen arbeidden vol liefde mee in deze kruistocht’. Ook een aantal van onze predikanten werkte mee ter assistentie van de voorganger in het brengen van de heilsboodschap. Motto van de tentkruistocht was: ‘Jezus maakt uw leven nieuw’. Begonnen werd in een wijk met heel veel tegenstand. Dat was de vuurproef, volgens Harkema. Daar moet je doorheen. ‘Doch midden in die week werd èn door gebed èn door tactvol beleid van de broeders rondom de tent de tegenstand gebroken. Er kwam een stilte in en rondom de tent en Gods boodschap vond ingang’.
De tent verhuisde elke week naar een andere wijk. Na drie wijken met het evangelie bewerkt te hebben, kwam de binnenstad aan de beurt. Niet altijd liep de tent vol, maar veel mensen buiten de gemeente werden bereikt. Iedere zondag mochten we mensen in ons kerkgebouw begroeten, die door middel van de tent getrokken waren. De laatste twee weken stond de tent op de Boulevard te Scheveningen. Begunstigd door fraai zomerweer, dat beleefd werd als een verhoring der gebeden. Honderden mensen werd de boodschap van het evangelie van de verlossing door het bloed van Christus gebracht. De tent stroomde steeds voller, terwijl tientallen buiten stonden te luisteren. Avond aan avond klonk de nodiging over de Boulevard: ‘Kom tot Jezus’. Avond aan avond zong de gemeente als getuigenis het uit aan de velen die luisterden: ‘Daar zijn geen grenzen aan Jezus’ macht, voor elk die wond’ren van Hem verwacht!’. Daar kwam ook antwoord op. De Heilige Geest werkte met kracht. Een veertiental mensen gaf zich over aan Jezus Christus en verheugde de gemeente uitzonderlijk. De slotsamenkomst van deze Kruistocht was een avond van glorie voor Jezus. Na afloop verenigden voorganger, kerkenraad en medewerkers/sters zich in een dankstond tot God voor de grote zegen in deze tentzending. Doet de tent het nog? Hier deed hij het! Harkema is een dankbaar mens, wanneer hij terugkijkt:

‘Ik dank God voor de vervulling van Zijn beloften! Ik dank mijn gemeente voor de 100% inzet, die ze gegeven heeft voor de Heer en Zijn dienst!’. Zo moeten wij de roep van Jezus horen en uitgaan in de witte velden. Onze diensten worden bezocht door velen, die nimmer in het verleden met onze gemeente bekend waren. Stoelen moeten bijgezet worden om de schare een plaats te bieden in onze morgendiensten”.

1956
Het evangelisatiewerk werd onverminderd voortgezet. Soms was het prachtig zomerweer, maar de tentcampagne in Scheveningen moest door het hemelwater vroegtijdig afgebroken worden. Maar het tentwerk was niet zonder zegen en vrucht. Want uit het werk op de Boulevard te Scheveningen is in deze plaats een Evangelisatiepost ontstaan. Vanaf half september evangeliseerde men in een geschikt lokaal aan de Ooststraat 4. Telkens op de vrijdagavond en om te beginnen voor een halfjaar.

‘Deze bijeenkomsten worden goed bezocht en zelfs hebben bezoekers ook hun weg naar de Singel gevonden, van wie we a.s. zondag een broeder, na op zijn belijdenis te zijn gedoopt, in de gemeente welkom zullen mogen heten’.

1957
Het evangelisatiewerk in het Openluchttheater in het Zuiderpark ging ook gewoon door. Harkema was in staat ‘het evangelie rijkelijk uit te strooien’en zowel het gemengd koor als het mannenkoor verleenden medewerking. Het bezoek was bovendien goed te noemen.

Bij deze evangelistische arbeid behoort ook het tentwerk. Dat vond alleen plaats aan de Zeesluisweg te Scheveningen.

Ds. Harkema had ook hier ondersteuning van enkele sprekers en van de beide koren en bracht avond aan avond het evangelie van behoud met een dringende oproep om tot Jezus te komen. Steeds liep de tent weer vol en de bezoekers luisterden met grote aandacht. Ook was de medewerking van toezichthouders boven alle lof.

Terugziende op de campagne kon alleen maar vastgesteld worden, dat er alom sprake was van gezegende avonden, waarvan God alleen het aantal beslissingen kent. De evangelisatiepost in Scheveningen – Ooststraat 4 – bleef het ook uitstekend doen, zodat ieder zich daarover verheugen kon. Een drietal leden van de gemeente is mede vrucht van deze arbeid.

Een ietwat aparte jongeman uit de gemeente was student K. Corporaal. Men kreeg goede berichten over hem en van hem uit Hamburg, waar hij het seminarie van de Duitse Baptisten bezocht. ‘De leraren zijn zeer tevreden’, lezen wij. In de vakantie diende hij verschillende vakante gemeenten. Overigens is 1957 een goed jaar geweest, zoals we gezien hebben. De secretaris spreekt zelfs van ‘grazige weiden, geestelijk en materieel’. Wat wil je nog meer. God is goed, onuitsprekelijk goed.

1958
Voortgang vindt ook het ‘oude werk’. In de maand maart werd de grote zaal van het C.J.M.V.- Gebouw te Scheveningen in gebruik genomen. Dit vanwege het groeiende bezoek. Elke vrijdagavond brengt Harkema hier de blijde boodschap. En niet zonder vrucht. Gezegend was ook de Kerstwijding, waaraan het mannenkoor onder leiding van A. Noordhoek medewerking verleende en de Kerstvertelling verzorgd werd door A. Boiten-Attema. Onder haar leiding werd een afdeling van ‘Zusterhulp’ gesticht.

1959
Veelal zat er regelmaat in de arbeid van de gemeente. Dat geldt o.a. voor K. Corporaal, die in zijn studietijd elk jaar in de vakantie invalt. Hij preekt een paar keer, doet huisbezoek en jeugdwerk. Hij verricht dit werk steeds tot tevredenheid van voorganger en gemeente en er wordt ook telkens bij vermeld ‘tot zegen’. De regelmaat schuilt ook in het evangelisatie- en tentwerk. Zelfde tijden en zelfde plaatsen, gericht op het doorstoten en uiteindelijke vestiging van gemeenten. Een duidelijk voorbeeld is Scheveningen, maar we zullen nog meer mogen meemaken!

1960
Een uiterst belangrijke mededeling vinden wij aan het begin van het Jaaroverzicht over 1960:
 ‘Op de gemeentevergadering van 8 januari 1960 werd met op één na alle stemmen besloten een tweede gemeente te stichten en wel te Scheveningen. Naar dit gebeuren hebben vele van onze reeds ontslapen leden uitgezien. Dit besluit kwam tot stand vier jaar nadat W. Harkema zijn evangelisatiearbeid aldaar was begonnen: eerst in een tent en later in een zaal aan de Ooststraat 4. Toen deze zaal te klein was geworden verhuisde men naar de grote zaal van het C.J.M.V.-Gebouw, Keizerstraat 58. Harkema sprak meestal in samenwerking met de beide zangkoren. Velen leerden op deze wijze ‘de blijdschap van het geloof’ kennen. Op 1 februari 1960 werd er een vergadering gehouden, waarbij 30 leden uit Scheveningen aanwezig waren.
In deze vergadering werd een  voorlopige raad gekozen. Als ouderlingen: W. Bots en A. Akker en als diakenen: J. Knoester en J. Dijkhuizen. Nu moest nog de constituering van de gemeente plaatsvinden en dat gebeurde op 13 maart 1960 in de aula van het Gemeentelijk Lyceum aan de Nieuwe Duinweg. In deze dienst bevestigde Harkema de boven aan u voorgestelde mannen in hun ambt. Bij deze plechtige dienst waren vertegenwoordigd: de Burgerlijke Overheid, de Unie van Baptisten Gemeenten en afgevaardigden van Gewestelijke Gemeenten. Natuurlijk was er ook een grote schare uit Den Haag aanwezig. Namens de gemeente te Den Haag bood J. Boiten een prachtige kansel-Bijbel aan, vergezeld van de felicitaties van de gemeente. Een en ander betekende een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de gemeente. Maar aan de bijzondere dagen was daarmee nog geen eind gekomen. De tweede grote gebeurtenis bestond daarin, dat de jonge tweede gemeente een beroep uitbracht op K. Corporaal, student te Hamburg. Nadat deze afgestudeerd was, nam hij het beroep aan. De datum van zijn bevestiging was 18 september 1960 en werd vanzelfsprekend verricht door Harkema. In ‘De Christen’ van 30 september van datzelfde jaar komen wij het boeiende verslag tegen van deze feestelijke dag: Kandidaat K. Corporaal eerste voorganger van de gemeente Scheveningen! De gemeente te Den Haag was hierbij de hele dag als gast aanwezig. Zo werd de dag een onvergetelijke ontmoeting rondom bevestiging en intrede. ’s Morgens was de gewichtige tekst Joh. 20:21b: “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u”. Als opdracht werd aangegeven: de prediking van de verzoening door het bloed van Jezus Christus. Treffend was de opmerking: ‘Harkema, die Corporaal op veertienjarige leeftijd had mogen dopen, mocht hem nu wijden tot de dienst des Heren, welke door handoplegging samen met W. Bots geschiedde’.
Hiermee nam Harkema tevens afscheid van zijn consulentschap, waarbij hij Corporaal nog de woorden meegaf ‘Vrees niet, geloof alleenlijk!’.
We zijn nu ook nieuwsgierig naar de tekst, waarmee Corporaal zijn intrede deed. Het waren de woorden uit 1 Kor. 15:25: “Hij moet als Koning  heersen”.

Wijzelf zijn, aldus ongeveer Corporaal, te zwak om als een bazuin van God de glorie van de Koning uit te jubelen. Toch moeten wij verantwoording afleggen, wanneer wij een onzeker geluid laten horen. We worden immers opgeroepen de armen het evangelie te verkondigen en het aangename jaar des Heren uit te roepen. Corporaal voelde zich ook verantwoordelijk voor de jeugd, zo verklaarde hij. Deze diensten werden gehouden in de aula van het Joh. De Witt Lyceum, waarin ruimte was voor meer dan 400 personen. Luister werd bijgezet door de aanwezigheid van B. en W. van Den Haag, onze Unie, Gewestelijke Gemeenten, de Oecumenische Raad en tal van vrienden der Gemeente. Verder was de begroetingsavond zeer open van karakter. Heel wat activiteiten speelden zich hier af. Zo kwamen Zusterhulp, bijna te groot voor het ruime podium, N.B.J.B., zondagsschool, meisjesclub en zaaiergroep, zich allen aan de jonge voorganger presenteren. We besluiten dit onderdeel met nog enige woorden van Harkema aan het slot van de feestdag uitgesproken: “Het is een wonder in onze ogen; wij zien het, maar doorgronden het niet”. Terugziende op de korte geschiedenis van de gemeente te Scheveningen en vooral ook op deze feestdag van bevestiging en intrede van Corporaal wilde Harkema God de eer geven. Dat blijkt wel uit zijn woorden.
Meteen de volgende week, 25 september,  moest de gemeente in een nieuw centrum trekken, Doornstraat 25.

1961
In ‘De Christen’ van 20 januari 1961 vinden wij een Gemeentebericht van Scheveningen, waar we even gewag van moeten maken. We keren met dit bericht even terug naar 25 september 1960. Het nieuwe centrum van de gemeente was juist zover gereed, dat men er ’s zondags de erediensten in kon houden.
En langzamerhand begon het werk zich te ontwikkelen: jeugdwerk, Zusterhulp, arbeid op de Vrijdagavond. Rondom Kerst werd het zelfs heel druk. Het stuk eindigt met de volgende woorden:
‘Waar thans de voornaamste verbouwing bijna voltooid is en dan ook het doopvont gereed zal zijn, gaan we het nieuwe jaar in met de hoop en verwachting, dat God nog vele zielen zal toevoegen aan de gemeente, die behouden zijn’.

1965
Afscheid K. Corporaal
Ondertussen had K. Corporaal een beroep naar de gemeente te Muntendam aangenomen. Zijn afscheid van Scheveningen zou plaatsvinden op 21 februari 1965 in het gebouw: ‘Op Gouden Wieken’, Scheveningseweg 37. Aanvang: 15:30. Het werd een heel drukke dag met de nodige voorbereidingen. Men zag hem met lede ogen vertrekken, maar was ook dankbaar voor de grote belangstelling, want de toeloop was bijzonder groot. Men droeg Corporaal dan ook algemeen een warm hart toe. Ook in Scheveningen als zodanig. De afscheidsprediking was naar aanleiding van Hebr. 13:5 en 8, waarbij het ging om:
“Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten” en “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”.

Prachtige woorden. Er werd op gewezen, dat de gemeente niet alleen komt te staan, maar dat de Heer Zelf altijd in haar midden zal zijn. En dat óók met het oog op de toekomst.
Er waren vele bezoekers en afgevaardigden van elders. H. Akker sprak hartelijke woorden van dank voor de jaren, die de scheidende voorganger de gemeente heeft mogen dienen met de boodschap van het evangelie. Namens de gemeente te Den Haag voerde H. Krause het woord. Er waren ook vertegenwoordigers uit Alphen aan de Rijn en Muntendam. Omdat Corporaal geestelijk verzorger van Tabitha was, sprak ook J. Broertjes als voorzitter van de Stichting dankwoorden tot Corporaal. Na de dienst kon men persoonlijk afscheid nemen van de vertrekkende predikant. En zoals gebruikelijk was er in de avonduren gelegenheid om in intieme sfeer afscheid te nemen en geschenken aan te bieden.
De laatste als herinnering aan zijn eerste gemeente. Het beste geschenk, dat hij uit Scheveningen mee mocht nemen, viel hem te beurt toen hij op 26 februari in het huwelijk trad met Maria Bots, dochter van ouderling Bots. W. Harkema -wie anders? – zegende het huwelijk in. Toch wel fijner om zo samen naar Muntendam te kunnen afreizen.

Herinneringen

Ome Arie, zo noemden we hem. Arie Kuiper heette hij. Hij was verlaten door zijn vrouw, daardoor alleen, en zeer actief in de gemeente.
Wij hadden een tussenjeugd (net tieners) en een grote jeugd. Ome Arie, zeer begaan met de mensen die het minder hadden, evangeliseerde op het eiland, waar later de Norfolk Lijn kwam, en waar ze nu huizen willen bouwen. In die tijd was daar het eiland, ook wel Eiland Vloek genaamd, omdat de leefomstandigheden er wel eens te wensen overlieten en het taalgebruik niet zo leuk was. En daar kwam Ome Arie en hij vertelde deze kinderen over de Here Jezus.
Hij nam ze mee naar de tussenjeugd en ’s zomers huurde hij een grote bus en ging een dagje met ze uit,  met alles erop en eraan. Hij gebruikte hier zijn vakantiegeld voor. De kinderen, die van muziek hielden, kregen een gitaar en gitaarles.
Ome Arie kwam veel bij ons thuis. Hij was best vaak eenzaam en had het moeilijk, maar hij was rijk in zijn geloof.

Adrie Wulffelé.


Hieronder volgen een aantal leuke voorvallen die de fam.
P. Dijkhuizen  (thans wonende te Veendam) zich herinneren.

Avondmaal

Het avondmaal werd altijd klaar gezet door de vaste koster  en wel zodanig dat het brood al in reepjes was gesneden en alleen nog moest worden ‘gebroken’. De koster  was echter een zondag niet aanwezig en vroeg de ‘hulpkoster’ of hij voor het brood en de wijn wilde zorg dragen, dat was geen probleem.  De hulpkoster vroeg nog wel hoeveel brood er nodig was en de koster antwoordde dat een half wit brood wel genoeg was.
De  betreffende avondmaalsdienst werd geleid door ds. H. Ploeger en nadat hij de inzettingswoorden van het avondmaal had voorgelezen en begon over het breken van het brood en tegelijkertijd het ‘laken’ wat over het brood lag weghaalde werd de dominee een beetje stil. De gemeenteleden waren verbaasd over het plotseling stilzwijgen van de dominee. Het laken werd helemaal weggetrokken en zie daar een heel half wit brood stond op de zilveren schotel.
Op die avondmaalsdienst werd toen wel echt het brood gebroken. 

De MUG

Ds. Corporaal was de eerste baptisten predikant in Scheveningen en was in het bezit van een Fiat 500, door de jeugd ‘de MUG’ genoemd. Deze MUG moest het vaak ontgelden, want met vereende kracht werd het voertuig door de jeugd opgetild en zodanig neergezet dat ds. Corporaal altijd heel veel moeite moest doen om zijn voertuig weer op de openbare weg te krijgen.

Het hoedjesfestijn

Kerkend in de Doornstraat , waar een Villa was verbouwd tot een kerk en dat nog goed te zien was aan een grote trap die naar de eerste etage leidde.
Het was een zusterhulpavond en in de bovenzaal werd er catechisatie gehouden die eerder was afgelopen dan het zusterhulp gebeuren. De trap aflopend zagen de jongelui in de gang de jassen EN de hoedjes hangen van onze zusters (in die tijd werd nog een hoed gedragen).
Alle hoedjes legden we op de trap en plaatsten bij elk hoedje een brief met een passende tekst voor het model en een prijs er bij.
Zo iets van kolenkit in moderne stijl, vijf gulden. Omgekeerd vogelnest 4,50 etc.
De zusters klaar met hun ‘hulp’ kwamen al kwebbelend uit de zaal en zagen wat er gebeurd was. In plaats van rustig ieder zijn eigen hoedje pakkend, wilden de zusters dit allemaal tegelijkertijd doen, dus de chaos was compleet.
Wij hadden nimmer meer zo’n leuke catechisatieavond gehad.

Evangelisatie commissie

In de Marcelisstraat werd begonnen  met Evangelisatieavonden en daartoe werd een Evangelisatiecommissie ingesteld.
Vol vertrouwen ging de commissie aan de slag. Een goede spreker, muzikale omlijsting etc. en de zaal volgestouwd met stoelen.
Vooraf werd een bidstond gehouden en werd de Heer gevraagd deze Evangelisatiedienst te zegenen.
Een broeder van de oude stempel begon te bidden en prees de Heer omdat we in de gelegenheid werden gesteld dergelijke diensten te houden alleen tijdens het gebed werd zijn geloofsvertrouwen wel op de proef gesteld door hemzelf. Hij bad;  O Heer, dat er vele mensen mogen komen om uw Evangelie te horen, O, Heer al komen er maar honderd, dan nog zijn we verblijd, al kwamen er maar vijftig Heer dan nog mogen we u danken. Heer al zijn er maar twintig, Ja Heer, want in Uw Woord staat, waar twee of drie in Mijn Naam verenigd zijn, bent U in het midden, dank daarvoor.
Gelukkig werd deze eerste dienst zeer goed bezocht en jarenlang mochten we Evangelisatiediensten houden.
Het bijzonder van de diensten was dat er een pauze werd ingelast en in een bijzaal een boekenstand was (waarvan de boeken beschikbaar werden gesteld door de Bijbelkiosk).  Door middel van de boekentafel kon je gemakkelijker contact leggen.

Tot zover de fam. Dijkhuizen.

Herinneringen

Doopdienst: zondagmorgen 04.00 uur. Wim (mijn man) moet zijn bed uit om de kraan te gaan openzetten voor de doopdienst in gebouw aan de Marcelisstraat. Het moet rond 1981 geweest zijn. Er is een kleine geiser en het duurt uren eer het bad vol is. Nu moet u weten dat het doopvont een rechthoekig gat in het podium was dat werd afgesloten met een houten deksel. Het deksel was aan de binnenkant bekleed met zeil met wat latten. Br. Jol, door velen Ome Gerrit genoemd, vond dit niet mooi. Hij had thuis wel wat vloerbedekking, die er tegenaan kon, zodat als het doopvont openstond, het een mooier gezicht zou zijn. Zo gezegd, zo gedaan.
En deze zondag zou de primeur zijn.
Wim kwam weer naar huis toen hij de kraan opengezet had en dook nog een uurtje zijn bed in.
Toen hij om 09.00 uur terug kwam om de kraan dicht te draaien, maar ach mensen wat zag hij daar.
Een grote schuimwolk. Hoe kon dit? Het water weg laten lopen was geen optie.
Om 10.00 uur was de doopdienst. Goede raad was duur, dus met emmer schuim weghalen en tegen de dopeling zeggen dat er schuim op het water lag.
Wat was er gebeurd? De vloerbedekking van Ome Gerrit was net nieuw geshamponeerd,
het water was langs de vloerbedekking gelopen en nam het schoonmaakmiddel mee. Vandaar.
Het was een goede dienst! 

Adrie Wulffelé.

Evangeliseren

Zingen bij de vijver, dat deden veel mensen van onze gemeente.
Gemakkelijk was dat niet. Je moest de vrijmoedigheid en de tijd hebben, maar bovenal de gedrevenheid om de mensen van de liefde van de Here Jezus te vertellen.
Op zondagmiddag 3:00 uur gingen we met onze samengestelde muziekgroep onder leiding van Zr. Zerbst naar de eendjesvijver, bepakt met gitaar, banjo en nog wat instrumenten.
Ook ds. Corporaal speelde mee op een soort melodica. Er werd gezongen, gesproken en er werden getuigenissen gegeven. Veel mensen uit Scheveningen maakten een ommetje langs de eendjesvijver en bleven staan luisteren. Zij maakten soms een praatje en hoorden zo het woord van God. Eén ding wil ik hierbij vermelden: we deden dit wel in de zomer!
In het voorjaar en in de winter (Pasen en Kerst) zongen we ‘s morgens vroeg op straat in ‘de Magneet’ voordat we naar de kerk gingen. Heel wat gordijnen gingen dan open!

Adrie Wulffelé.

Vroeger ….. toen we nog volleybal speelden

Mijn moeder begon haar verhalen vaak met: ‘Vroeger …..’ en ook de verhalen van mijn vader beginnen vaak met dit door mij gevreesde woord. Meestal volgt er dan een erg lang verhaal dat volgens mij flink geromantiseerd is en natuurlijk niet meer na te gaan. En omdat ‘vroeger’ meestal volgt op een klaagzang van mij en ik na het verhaal dat begint met ‘vroeger’ , altijd het gevoel heb, dat ik zit te zeuren, nam ik mij voor, om nooit een verhaal hiermee te beginnen.
Toch ga ik dit verhaal met ‘vroeger’ beginnen. En natuurlijk is het flink geromantiseerd en zijn de meeste dingen niet meer precies na te gaan, maar de grote lijnen kloppen wel.
‘Vroeger …. zo’n tweeëntwintig jaar geleden, speelde ik mijn eerste volleybalwedstrijd met de Baptistengemeente Scheveningen. Natuurlijk was dit niet de eerste volleybalwedstrijd van de Gemeente. Landelijk werd er één keer per jaar een Baptisten Volleybal toernooi georganiseerd en Scheveningen deed al een aantal jaren mee. Trouw oefenden zij hiervoor in de gymzaal van Bloemendaal of op het schoolplein van de Johan de Witt. Nog nooit hadden zij dit toernooi gewonnen en …. ook tweeëntwintig jaar geleden wonnen zij niet.
Daar zou echter gauw verandering in komen. Niet dat ik nou zo’n sterke aanwinst was of dat ik zo’n positief effect had op de teamspirit. Maar begonnen zij als tieners, inmiddels waren zij uitgegroeid en veranderd in sterke (en een aantal in lange) jongens en meiden. Zo kwam het, dat ik in het tweede jaar dat ik meespeelde, al mocht delen in de overwinning. We kregen prachtige medailles en een wisselbeker. En mochten het toernooi het jaar daarna organiseren. Na lang beraad, wisten wij hoe wij het toernooi wilden gaan organiseren.
Eerst volleyballen en daarna een barbecue. En natuurlijk moest het winnende team dan een taart krijgen en natuurlijk moest het winnende team de wisselbeker krijgen maar die medailles, nee, die zouden zij niet krijgen. Die waren te klein. Nee, het winnende team zou een prachtige, goud gespoten, stoeptegel krijgen. Van te voren hadden wij natuurlijk enorm veel lol. Welke gemeente zou die loodzware stoeptegel mee naar huis mogen sjouwen en op de schoorsteen mogen zetten?
De wedstrijden werden gespeeld in sporthal de Blinkerd. En het derde jaar dat ik meespeelde, waren wij, net als het tweede jaar, onverslaanbaar. De goud gespoten stoeptegel ging van de Cornelis de Wittlaan weer naar de Cornelis de Wittlaan en heeft daar nog vele jaren op de plaats staan pronken.
Nog een aantal jaren hebben we meegespeeld maar nooit meer zijn wij eerste geworden. De tieners van andere gemeenten groeiden uit tot grote, sterke jongens en meiden en wisten ons van die eerste plek af te houden of …. misschien was één goud gespoten stoeptegel genoeg ….’
                   
Esthella Wulffelé.

BGSportief

Bewegen is gezond. Een gezonde geest in een gezond lichaam.
Deze motto’s staan hoog in het vaandel van de Baptistengemeente Scheveningen.
Dat het hier niet om alleen maar uitspraken gaat komt tot uiting in de inmiddels tot traditie geworden gewoonte om twee keer per jaar een gezamenlijke wandeling te maken. Vele actieve leden nemen hieraan deel. Ook niet-leden en introducés zijn welkom. De wandelingen hebben meestal een cultureel of op de natuur geënt thema. Om de geest scherp te houden worden tijdens de wandeling vragenlijsten ingevuld. Door de vragen  juist te beantwoorden kan men in het bezit komen van de inmiddels fel begeerde wisselbeker.
Ook de inwendige mens komt bij de BGS niets tekort. Vaak is er aansluitend een heerlijk etentje of wordt er tijdens de wandeling allerlei lekkers uitgedeeld. Zo worden de verbruikte calorieën weer aangevuld.
Nu ja, als het maar gezellig is! En boven alles: de samenhorigheid in onze gemeente krijgt zo actieve impulsen. Dat is een van de  geheimen om de gemeente gezond te houden!
Trudy Snijder en Marianne Heeneman
              

Geprezen zij de Heer!

Als we terugdenken aan onze Scheveningse jaren, dan worden we vervuld met blijdschap en dankbaarheid. De Baptistengemeente Scheveningen was de eerste gemeente die wij mochten dienen, hoewel we in de jaren daarvoor al in twee andere gemeenten kennis hadden gemaakt met het werk in een gemeente. Dat was meer stagelopen en kijken hoe anderen hun bediening invulling gaven, dan zelf bezig zijn. In het najaar van 1981 begon voor ons het werk in Scheveningen. De eerste maanden deed ik het werk nog voornamelijk alleen, maar na ons trouwen in april 1982 zijn we samen met het werk begonnen.
Toen we met de gemeente kennis maakten, werd duidelijk dat de gemeente moeilijke jaren had meegemaakt. Het waren jaren van krimp geweest, vooral omdat in die tijd - de zeventiger jaren - jonge gezinnen de stad uittrokken en een nieuw bestaan opbouwden in de groeistad Zoetermeer. De vraag waar we toen samen met de gemeente en de raad voor stonden, was hoe het werk het beste kon worden opgepakt. Waar lag de eerste prioriteit? De diensten op zondagmorgen hadden in de achterliggende jaren steeds plaatsgevonden, ook de Bijbelstudie- en Bidstondavonden waren doorgegaan, er was een zondagsschool voor de kinderen, maar verder lag het werk voor een groot deel stil. In vertrouwen op de Heer hebben we ‘ja’ gezegd op de vraag van de gemeente om in Scheveningen te komen helpen. Wij hebben het toen ervaren zoals ook de broeders rondom Paulus dat begrepen hadden: “Kom over ..... , en help ons.” (Hand. 16:9)
Na eerst drie jaar in Alphen aan den Rijn te hebben gewoond, kwam er een huis vrij waar we konden gaan wonen. 

Het wonen in Den Haag betekende dat we meer tijd beschikbaar hadden voor de gemeente en dichter betrokken waren bij de mensen en bij het werk. Zeven jaar lang werd bij ons in huis de wekelijkse Bijbelstudie en Bidstond gehouden. De Raadsvergaderingen vonden hier plaats en al het drukwerk voor de gemeente werd in ons huis verzorgd.

In de Scheveningse periode zijn vier van onze kinderen geboren. Onze oudste zoon Geert werd geboren toen we nog niet in Den Haag woonden, maar Jeroen, Judith en Christiaan kwamen ter wereld in het Bronovoziekenhuis.
Onze Scheveningse tijd was voor ons een heel bijzondere periode. Het contact met de gemeenteleden en vrienden, het werk dat we samen met u als gemeente mochten doen en de betekenis van de gemeente voor de omgeving stemden steeds tot dankbaarheid aan de Heer en aan elkaar. Toen we in Scheveningen kwamen, bestond de gemeente nog maar uit 23 leden.

Maar weinigen hadden voor ogen dat de gemeente ook in de toekomst bestaansrecht had. Naar de mens gesproken had een gemeente met een dergelijk aantal leden ‘op aarde’ geen toekomst. Toch konden we op 13 maart 1985 met een duidelijk toekomstperspectief vol dankbaarheid en blijdschap gedenken, dat de gemeente al 25 jaar bestond. En nu zijn er opnieuw vijfentwintig jaar voorbijgegaan. U hebt opnieuw mogen zien hoe de Heer u als gemeente bewaard heeft. Bij ons afscheid van Scheveningen vanwege het beroep dat wij ontvangen hadden vanuit Hengelo heb ik mogen spreken over Ps. 127. Het thema was:
“Als de Here het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan.”
Hij heeft gebouwd aan Zijn huis in Scheveningen en Hij zal dat doen ook in de tijd die voor ons ligt.

Terugdenkend aan Scheveningen, aan u als gemeenteleden en vrienden en aan hen die nu al bij de Heer zijn, komt ons steeds voor ogen het vertrouwen op de Heer door alle jaren heen. In de tijd dat wij bij u mochten werken was nog duidelijk het besef aanwezig, dat Scheveningen van oorsprong een vissersplaats is. Het geloofsvertrouwen was nauw verbonden en had zijn wortels ook in de relatie met de zee. In bepaalde liederen werd ook duidelijk bezongen hoe Gods bewarende hand zichtbaar en voelbaar was in het leven van elke dag.

We kunnen daarbij denken aan het lied:

Ruwe stormen mogen woeden, alles om mij heen zij nacht.
God, mijn God zal mij behoeden,God houdt voor mijn heil de wacht.
In de vijftig jaar die nu voorbij zijn gegaan, zijn de gemeente ruwe stormen niet bespaard gebleven. Maar de Heer heeft over de gemeente gewaakt. Steeds weer werd duidelijk, dat wie de Heiland 't roer in handen geeft van het aardse levensschip, mocht ontdekken, dat Hij het is, die elke rots en klip kent.

Hoogtepunten in de periode 1981 - 1992 zijn er vele geweest: teveel om op te noemen. Toch enkele gebeurtenissen, die steeds weer in herinnering komen: de ‘Super Holiday’ - in die tijd: de Vakantie Bijbel School - , de Kerstfolder verspreiding met na afloop de warme chocolademelk, de bazar, waarvan de opbrengst voor de Zending was, de ontmoetingen en gesprekken met gemeenteleden en vrienden, enz.

En nu ligt er een nieuwe periode voor u. De aardse toekomst van de Baptistengemeente is bij de Heer bekend. En Zijn belofte heeft Hij aan ons bekendgemaakt. Het is de belofte waar Paulus over schrijft in zijn brief aan de Filippenzen:

“Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.” (Fil. 1:6)

Hij is in Scheveningen een goed werk begonnen. U en ons heeft Hij gebruikt en ook voor de komende tijd willen we tegen u zeggen:

“..... laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus.” (1 Petr. 2:5)

Van harte willen wij u gelukwensen met dit jubileum, onder dankzegging aan de Heer, Die zo heerlijk voorzien heeft in al die jaren. Gods Zegen willen wij u toewensen voor de tijd die voor u ligt. Lang zal het niet meer duren en dan zullen wij de Here Jezus ontmoeten. Hij geve, dat u gesterkt en geleid door Zijn Geest steeds weer omhoog zult zien en de ogen gericht zult houden op Jezus!

Gerda en Jaap van der Zeeuw, Geert en Marijke, Jeroen, Judith, Christiaan, Wouter, Anne-Willemijn.

Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen (1 Sam. 7:12)

Tot hiertoe heeft de Heere geholpen!
In elke nood stond Hij ons bij;
Zijn macht’ge arm wou ons beschermen,
Hij deed ons wand’len aan Zijn zij.

Tot hiertoe heeft de Heere geholpen.
Zijn goedheid kent noch paal noch perk;
Hij schonk ons duizend zegeningen.
Zijn liefd ’is als de dood zo sterk!

Tot hiertoe heeft de Heere geholpen:
Hij gaf ons krachten tot de strijd.
Bij onze vele struikelingen
bleef Hij tot helpen steeds bereid.

Tot hiertoe heeft de Heere geholpen!
Genade steund’ ons keer op keer.
Onwankelbaar zijn Gods beloften.
Geen trouwer God dan God de Heer!

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen,
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
Wat ook verandert of verkere,
Hij blijft Dezelfde t ’allen tijd.

Dus buigen w’ ons aanbiddend neder
Voor U, o onze Heere en God!
Aan U vertrouwen wij ons leven,
De toekomst en geheel ons lot!

H.C. Voorhoeve, ingestuurd door Fia de Jong.

Het eerste zangkoor ( ±1962 tot ±1970 )

Het evangeliserend karakter van onze gemeente uitte zich in de beginjaren o.a. in een zangkoor van ruim 30 leden. De organist/dirigent Kor Fennema kwam vanuit de Haagse Baptistengemeente iedere week om ons te onderwijzen en te begeleiden in de kunst van het zingen, stil zijn (als er geoefend werd) en als eenheid om de mooie liederen ten gehore te brengen.
Eén van de eerste liederen die we zongen was:
    In het woord van God heb ik voor ‘t eerst gehoord
    het verlossend en voor elk zo blijde Woord.
    Jezus neemt de zondaars  aan,
    brengt ze op de rechte baan.
    In het woord van God
    heb ik voor ‘t eerst gehoord
    Broeders kom ga met ons mee (de vrouwen)
    Zusters kom ga mee (de mannen)
    Broeders kom en prijst de Heer (dan weer allen)
    Zusters kom en zingt Zijn eer,
    zondaars kom en kniel voor Jezus’ voeten neer.

Vol overgave werd dit gezongen zodat ik na 50 jaar de woorden nog weet.
Het waren goede gezellige oefen-avonden waar natuurlijk ook lekker gepraat werd.
Zo hadden we op een avond een nieuwe broeder op ons koor. Hij was tenor en zat naast mijn vader. Ze kregen een gesprek in de pauze en onze nieuweling vertelde dat hij vice-consul was op de Duitse ambassade. Waarop mijn vader antwoordde :
‘Wat leuk, jij een vice-consul en ik een vieze visboer (zijn beroep) en samen loven we de Heer’. Hij werd een goede vriend van mijn vader in de periode dat hij hier gestationeerd was.

Adrie Wulffelé-Dijkhuizen.

Zang en muziek in de Baptistengemeente Scheveningen

Zang en muziek hebben een duidelijke Bijbelse oorsprong. Kijk naar het muzikale element in alle andere wereldgodsdiensten; steekt dit niet armoedig af tegen de rijkdom van de Joodse en de Christelijke zang- en muziektraditie?
Wie God, de Schepper van hemel en aarde, kent en liefheeft, houdt ook van zang en muziek. Dit zijn de beste middelen om de Here te loven en te prijzen. Na Zijn Zoon en de Heilige Geest, is zang en muziek het mooiste geschenk, dat God de mens heeft gegeven.
Zowel het Oude als het Nieuwe Testament spreekt op verschillende plaatsen van zang en muziek tot lofprijzing van de Here God, Het duidelijkste voorbeeld is wel Psalm 150, waarin de Here wordt geloofd met zang en een keur aan muziekinstrumenten. Het is dan ook niet verbazingwekkend, dat ook de Here Jezus de lofzang zong met Zijn discipelen na afloop van het laatste avondmaal (Matth.26:30). Paulus moedigt o.a. de Gemeenten in Efeze en Colossenzen aan psalmen, lofzangen en geestelijke liederen te zingen. Dit verbindt de harten en geeft kracht en moed. Zo zongen Paulus en Silas in de gevangenis van Filippi, na zware geseling, Gods lof en de gevangenen hoorden toe (Hand.16:25). Ondanks alles was het goed om naar te luisteren. Dat is niet te verwonderen, want de zang werd voorafgegaan door gebed. Bidden en zingen, een bijzondere combinatie.
Voor zover mij bekend werd in kerkdiensten heel vroeger gezongen met behulp van een voorzanger. Aangezien wij geen voorzangers meer kennen, en de samenzang al eeuwen door orgels wordt begeleid, werd de samenzang in de Baptistengemeente Scheveningen uiteraard reeds vanaf het begin begeleid door orgelspel. De eerste organisten, waarover de Gemeente kon beschikken, waren Willie Zerbst en Rens Harkema, de zoon van ds. W. Harkema, de voorganger van de Haagse Baptistengemeente en stichter van de Scheveningse Gemeente. Rens leidde en begeleidde in die tijd ook een damestrio, bestaande uit Gozien Roos, zijn (latere) vrouw, Annie Taal en Gerda Pardoen. Een lied, dat ik nog van hen herinner is ‘Halleluja, steeds in alles blijde’ (Joh. de Heer 790), een vlot en vrolijk lied. Jaren later zou ik Swetlana Malaya in gebouw Recreon bij dat lied begeleiden in de eredienst van 1 oktober 2000. Na verloop van tijd gingen Rens en Gozien verhuizen naar ergens buiten de regio en was hun Scheveningse periode voorbij.
Zijn opvolger was - een nog zeer jonge - Piet Dijkhuizen, een broer van Adrie Wulffelé. Maar ook voor Piet kwam er een moment, dat hij de regio, en dus ook de Baptistengemeente Scheveningen, ging verlaten. Hij woont nu met zijn gezin in Veendam. Hoelang Willie Zerbst organiste is geweest, is niet meer te achterhalen.
Na Piet Dijkhuizen kwam Br. Nieuwstraten de orgelkruk bezetten. Dat was even wennen voor de Gemeente, want Piet was een pittig spelende organist - hoe kan het ook anders als broer van Adrie - terwijl Br. Nieuwstraten niet alleen veel ouder, maar ook een rustiger organist was. Maar beide kwaliteiten pasten precies bij de spelers. Een organist komt dan ook eerst goed tot z’n recht als hij zijn gevoel in de muziek kan leggen.
Het was in de tijd dat Br. Nieuwstraten organist was, dat er een dameskoortje werd opgericht. Dit koortje stond onder leiding van Br. Nieuwstraten en verleende bij gelegenheid medewerking in de diensten van de Gemeente en in verschillende tehuizen. Veel liederen, die gezongen werden, kwamen uit de bundel ‘Glorieklokken’, vandaar dat het koor onder de naam ‘Glorieklanken’ de geschiedenis in ging.
Nadat Br. Nieuwstraten, om gezondheidsredenen, moest vertrekken, werd de leiding van het koor overgenomen door Else Koning. Met haar bezieling en muzikaliteit en het enthousiasme van de leden is het koor voor velen tot zegen geweest. Zo werd Gods lof en het Evangelie zingend uitgedragen. De samenzang werd in die tijd af en toe begeleid door een oom van mij, Gerard de Jong, tot 1968 organist van de Haagse Baptistengemeente.
Na het vertrek van Br. Nieuwstraten werd ook de plek van organist vacant. Voor de begeleiding van de samenzang werd toen voornamelijk voorzien in gitaarbegeleiding van ondermeer Rob Bogaerds, Else Koning en Gerda van der Zeeuw. Maar ook kwam orgelbegeleiding incidenteel nog voor, o.a. door Wim van Dijk, Zr. G. Knoester en zelfs Adrie Wulffelé. De Gemeente moest bij Adrie dan wel zeer ‘largo’ zingen, maar gezongen werd er. En ik kan mij voorstellen, dat er ook wel eens à capella is gezongen.
Het eerder genoemde dameskoor was niet het eerste van de Gemeente. Na ongeveer ruim een jaar werd een koor opgericht van wel 30 tot 40 leden. Dit koor stond onder leiding van Br. Kor Fennema van de Haagse Baptisten Gemeente. Dit koor heeft vele jaren trouw dienst gedaan in de Gemeente en waarschijnlijk ook daarbuiten.
Dat er toen ook al veel muzikaal talent in de Gemeente aanwezig was, blijkt uit het feit, dat er in de loop der jaren ook nog verschillende muziekgroepjes actief zijn geweest, o.a. vanuit de jeugdgroep.
Tot zover wat mij hoofdzakelijk van ‘horen zeggen’ bekend is. Wat ik mij uit die tijd nog wel kan herinneren is, dat het zangkoor ‘Gode zij ons lied’ van de Haagse Baptistengemeente, waar ik toen lid van was, af en toe medewerking verleende aan een avonddienst in Scheveningen. Nannie Vissering heb ik enkele malen aan de telefoon gehad om een afspraak te maken. Zo herinner ik mij diensten in de tijd van ds. Ploeger, br. van der Harst (voorganger van de Gemeente na ds. Ploeger) en van ds. J. van der Zeeuw (die meestal zelf belde). Al deze diensten vonden plaats in het zaaltje in de Marcelisstraat.
Tot maart 1975 was Br. A. Gebel dirigent van het Haagse koor en droeg ik als bas mijn steentje bij. Sedertdien mocht ikzelf de koordirectie verzorgen. In mijn periode als dirigent (tot 1 januari 1987) heeft ‘Gode zij ons lied’ zo’n 10 maal (voor het eerst op 16 mei 1976 en voor het laatst op 16 januari 1983) medewerking in avonddiensten verleend. Gastsprekers waren o.a. ds. W. Harkema, Br. Dikkes, ds. Koekoek en ds. R. Reiling. Dat het Haagse koor na half januari 1983 niet meer werd uitgenodigd kan een gevolg geweest zijn van het mogelijk inmiddels tot leven geroepen dameskoor ‘Glorieklanken’. De Gemeente kon nu zelf in koorzang voorzien, En hoe!
Bijna vier jaar later, in december 1986, kwamen wij (Fia en ik) opnieuw in een dienst van de Baptistengemeente Scheveningen. Wat mij direct opviel was, dat er wel een orgel stond, maar dat het niet werd bespeeld. De samenzang werd ondersteund door een muziekgroepje, waarvan Henk Koning (blokfluit) en Else Koning (gitaar en zang) mij nog zijn bijgebleven. Hun dochter Doortje was er toen ook al (een lief, verlegen meisje van 10 jaar), maar het virtuoos bespelen van de cello was voor haar toen nog toekomstmuziek.
Wat ik mij verder nog van deze dienst herinner is niet van muzikale aard, maar klonk mij wel als muziek in de oren. Er ging die morgen een gastspreker voor, Br. G. de Valk uit IJmuiden, een broeder, die in die jaren wel vaker in de Scheveningse Gemeente voorging. Bij verschillende sprekers moet je eerst een poosje goed luisteren voor je er achter komt of je met een Bijbelgetrouwe prediker te maken hebt of niet. Br. de Valk liet hierover geen enkele twijfel bestaan; hij had slechts enkele zinnen uitgesproken toen al duidelijk was, dat we met een zeer gelovige broeder te doen hadden, die de Here Jezus als Verlosser en Zaligmaker centraal stelde in zijn prediking. Dat was een goede binnenkomer. Wij voelden ons gelijk thuis in deze Gemeente.
Met ds. Jaap van der Zeeuw, die toen al enkele jaren voorganger was van de Scheveningse Gemeente, kwam ik al gauw in gesprek over het onbenutte orgel. De Gemeente had een probleem: er was geen organist. Dat had ik inmiddels gemerkt. De kogel was al snel door de kerk. Wij hadden een Bijbelgetrouwe Gemeente gevonden en de Gemeente een z’n best doende orgelbespeler (redactionele noot: Waar menigeen anders over denkt en hem toch als ‘organist’ ziet).
In later jaren zou ik, bij verhindering, verschillende malen vervangen worden door een goede bekende van mij, Wim van Dijk, een bekwaam organist in Scheveningse kerken en tehuizen. Als wederdienst mocht ik hem menigmaal vervangen in weeksluitingsdiensten in Deo Gratias. We hadden een fijne samenwerking, die na enkele jaren helaas om praktische redenen moest worden beëindigd.
Al spoedig kwam er een uitbreiding van mijn muzikale takenpakket en mocht ik, behalve de Gemeentezang, ook het dameskoor ‘Glorieklanken’ begeleiden. Met aanvankelijk dirigente Else Koning zong het koor niet alleen in de Gemeentelijke diensten, maar ook in verschillende verzorgings - en verpleeghuizen, alsook bij bijzondere gelegenheden, zoals b.v. bij de huwelijksinzegening van Matthijs en Esthella Wulffelé in de Oude kerk van Scheveningen in de Keizerstraat. Dat was op woensdag 3 maart 1993 en we zongen daar het mooie lied ‘Uw wil geschiede’, Wat mij hiervan in het bijzonder is bijgebleven is hoe geweldig dit lied toen klonk. De akoestiek in deze prachtige oude kerk was zo goed, dat ons koor, dat toen twintig leden telde, het geluid van wel honderd zangers leek voort te brengen. Ons koor heeft nooit mooier geklonken.
Na nog een poosje als dirigente te hebben gefungeerd moest Else Koning helaas hiermee, om gezondheidsredenen, stoppen en verzocht zij mij deze taak van haar over te nemen. Op 23 maart 1989 was mijn debuut als dirigent van ‘Glorieklanken’ bij een optreden in het voormalige ‘Huize Modjo’ aan de Stadhouderslaan tijdens het jaarfeest van de Indische vereniging ‘protestants Indisch Geloofsleven’ (PIGL),.
Na verloop van tijd kwam het verlangen op om het koor uit te breiden met mannenbroeders. Vanaf 3 november 1991 zongen Paul de Niet en Peter van der Meer, beiden tenor, mee in het koor. Een tijdje later volgden twee bassen, te weten Jan Klein en Barend de Kramer.
Hoogtepunten van gezelligheid waren altijd de jaarfeesten, waarin voor de pauze de zakelijke dingen werden besproken en na de pauze, met koffie en koek, verschillende leden een ernstige of een humoristische bijdrage leverden. Zo herinner ik mij nog een bijdrage van Jan Klein en Paul de Niet, die, beiden als baby verkleed, het gedicht ‘het lammetje’ voordroegen. Alleen al de aanblik van baby-Jan met snor, was al genoeg om niet meer bij te komen van het lachen. Uiteraard werden ook nog verschillende liederen gezongen.
Een vast onderdeel van het programma was ‘het gedicht’, een verplichting, die ik mijzelf had opgelegd om jaarlijks in een rijmend epistel alle leden van het koor afzonderlijk op de hak te nemen. Vaak maanden voor het jaarfeest was ik hier al mee bezig. Menigmaal had ik spijt, dat ik deze traditie in gang had gezet. Maar als het gedicht eenmaal klaar was, gaf dat toch wel voldoening. In de loop der jaren was er een geleidelijke groei te constateren voor wat betreft de lengte van het gedicht. Werd in 1988 begonnen met een gedicht van drie kantjes, in 1995 (het laatste jaarfeest van het koor) was dit inmiddels uitgegroeid tot elf kantjes. Ik moet er niet aan denken als we werkelijk 100 leden zouden hebben gehad. Aan de andere kant, als het koor werkelijk zo groot zou zijn geweest (en gebleven), zou het nu waarschijnlijk nog bestaan. Het gedicht zou dan op ongeveer 55 kantjes zijn gekomen. Johan Cruyff zei het al: ‘Elk voordeel heb zijn nadeel’.
Toch is het dalend ledental als gevolg van vergrijzing, verhuizingen en andere redenen uiteindelijk oorzaak geweest van de beëindiging van de kooractiviteiten. Het koor werd te klein om nog langer verantwoord door te gaan.
Omdat een noodkreet in de Gemeente geen nieuwe leden opleverde werd in een laatste repetitie op 30 oktober 1995 besloten het koor op te heffen tot groot verdriet van velen, Toch mochten we terugzien op een gezegende periode met vele mooie en ook leuke herinneringen. Enkele hiervan zijn hiervoor al genoemd, maar ook bewaar ik fijne herinneringen aan verschillende leden van het koor. Ik zou vele namen kunnen noemen, maar ik wil me beperken tot enkele leden, die inmiddels van ons zijn heengegaan. Dan denk ik in de eerste plaats aan Annie van der Harst, één van onze trouwste leden, die praktisch nooit verstek liet gaan en met haar stevige altstem een grote steun was voor de andere alten, maar ook voor het hele koor. Bovendien stond zij altijd voor iedereen klaar en deed veel huisbezoeken. Zij was diacones uit roeping. Helaas heeft een ernstige ziekte een, voor onze begrippen, te vroeg einde aan haar aardse leven gemaakt. De herinnering aan haar zal echter nimmer sterven en ..... we zullen haar straks in heerlijkheid terugzien. Als er duetten gezongen moesten worden zong Annie altijd samen met onze eerste sopraan, Riet Roeleveld. Zij had een bijzonder mooie, heldere stem met een aparte warme klank. Helaas is ook zij ons door een ernstige ziekte ontvallen.
Voorts wil ik nog enkele zusters noemen, die tot op hoge leeftijd lid van het koor zijn gebleven en inmiddels ook bij de Heer zijn. Dan denk ik aan de zusters Janke Veenstra, Knier van Leeuwen (altijd humoristisch en zeer Schevenings sprekend) en Willempje Rog. Maar ook blijf ik met weemoed terugdenken aan de zusters Fien Agaart, W. Jenezon en Petra Braster. Van Zr. Rog is mij nog iets bijzonders bijgebleven. Niet alleen dat zij altijd goed gehumeurd was en dicht bij haar Heer en Heiland leefde, maar ook gaf zij op de vraag ‘En Zr.Rog, hoe gaat het met u?’ steevast hetzelfde antwoord: ‘kostelijk’. Is dat niet werkelijk kostelijk?
Nog in de periode dat de Gemeente in de Marcelisstraat kerkte kwam, tijdens het voorgangerschap van ds. John Bestman, de gitaarbegeleiding van de samenzang weer terug. Maar nu in het bijzonder bij het zingen van Opwekkingsliederen. Het initiatief hiertoe kwam van Esmeralda de Kramer. Met haar prachtige heldere stem wist zij de Gemeente de moeilijkste melodieën tot een goed einde te laten zingen. Bij afwisseling deden ook haar man Albert, Else Koning, Maria Wulffelé en verschillende anderen mee met de gitaarbegeleiding en de zang. Daarnaast bleef het orgel het hoofdinstrument voor liederen uit Lofzangen & Gebeden en de Johan de Heerbundel.
In de loop der jaren veranderde de muziekgroep verschillende malen van samenstelling. Velen kwamen en gingen. Helaas kwam er ook voor Albert en Esmeralda een tijd om te vertrekken. Zo verhuisde het hele gezin de Kramer (inclusief Merel en Manon) in de zomer van 2008 naar onze zonnigste provincie, Zeeland. Voor Esmeralda betekende dat weer een thuiskomen bij haar familie, voor de muziekgroep was dit echter een flinke aderlating; plotseling moesten we de leadzangeres en een goede gitarist missen. Dit had tot gevolg, dat Esthella Wulffelé (zang en gitaar) de taak van Esmeralda moest overnemen. Van deze moeilijke taak heeft zij zich op een voortreffelijke wijze gekweten. Met haar mooie warme stem weet zij heel veel liefde in haar zang te leggen.
Nog in datzelfde jaar kon de muziekgroep worden uitgebreid met Marian Cok, een muzieklerares (o.a. van Robin v.d. Bergh). Zij begeleidt de muziekgroep op een elektrische piano en geeft verder deskundige muzikale leiding aan de zangers en instrumentalisten. Inmiddels heeft de groep een heel ander aanzien gekregen. De bezetting is niet altijd dezelfde, maar als iedereen meedoet bestaat de groep, naast Marian Cok, uit de volgende personen: Esthella Wulffelé zang en gitaar, Janneke Lubbers - Klein zang en dwarsfluit, Jan Klein zang (bas), Doortje Koning cello, Martijn v. d. Bergh drumstel, Robin v. d. Bergh keyboard en (vader) Ad v. d. Bergh basgitaar. Werkelijk een voortreffelijk ensemble, waar muziek in zit. Bovendien is er vaak samenspel met het orgel.
Na vele jaren naamloos geweest te zijn heeft de groep inmiddels de naam ‘Fishermans Band’ aangenomen. Bij deze naam kreeg ik meteen een associatie met ‘vissers van mensen’. Dat is ook zeker het doel van de groep. Zij zingen en spelen niet om eigen naam, maar uitsluitend de Naam van de Here Jezus, onze Heiland en Zaligmaker, groot te maken.
Sedert de Gemeente in gebouw Recreon diensten hield maakten we ook kennis met het fenomeen zangleider. Verschillende mensen uit de Gemeente verzorgen het zanggedeelte voor en tijdens de eredienst door de - eventueel in overleg met de voorganger - uitgezochte liederen aan te kondigen en van bijpassende verbindende teksten te voorzien,
Incidenteel werden en worden er ook nog muzikale bijdragen geleverd. Zo herinner ik mij uit de Marcelisstraattijd een uitvoering van een musical, getiteld Het dierenbos, door de kinderen Wulffelé. Het betrof een gezongen fabel, waarin de vos een geschikte woonplaats zoekt, maar geen enkele plek vindt, die uiteindelijk betrouwbaar en veilig blijkt. Uitgangspunt voor deze musical is Matth.7: 24 - 27, het bekende gedeelte, dat gaat over een wijze man, die zijn huis op de rots (Jezus Christus) bouwde en de dwaze man, die dat op zand deed. Het was een bijzondere opvoering met prachtige dierenpakken; het was werkelijk klasse. Bij de jubileumviering in maart 2010 zal deze musical d.v. opnieuw worden opgevoerd.
In later jaren hebben Brenda Loomans, Esthella Wulffelé en Maria Wulffelé deze draad weer opgepakt door met kinderen van de zondagsschool en tieners voor de kerst een musical in te studeren en op te voeren tijdens de kerstviering op eerste kerstdag ‘s middags. Ad v. d. Bergh zorgde wel eens voor een gelegenheidskoor voor de kerst.
Gedurende de periode 1 oktober 2000 tot eind september 2001 had ik het voorrecht onze Russische zuster Swetlana Malaya te mogen begeleiden bij het zingen van liederen in enkele ere - en bijzondere diensten. Het waren fijne momenten om zo de Gemeente te mogen dienen. Problemen met de gezondheid dwongen mij er helaas toe met dit werk te stoppen.Swetlana zit het zingen echter diep in het bloed. Bij gelegenheid wist zij zich toch van een begeleider (o.a. Jan Jansen) te voorzien en kon zij af en toe verschillende mooie liederen ten gehore brengen.
Inmiddels heeft Swetlana Gusta van Haassen bereid gevonden haar te begeleiden. Zo verlenen zij nu en dan medewerking in onze diensten en maandelijks in de bijeenkomsten, die onze Gemeente al vele jaren verzorgt voor de patiënten van het verpleeghuis Mechropa.
Nieuw in onze Gemeente was het organiseren van een midsummernight praise-avond op 21 juni 2009. In samenwerking met de gospelgroep ‘Generous’ uit Leiden hield onze muziekgroep ‘Fishermans Band’ een lofprijzings - getuigenisdienst met veel zang en muziek. Br. Alex van Nes uit België hield een korte prediking met uitnodiging om tot de Here Jezus te komen. De liederenkeuze was zeer gevarieerd. Behalve Opwekkingsliederen werd ook een aantal ‘Gaithersongs’ gezongen. Het werd een fijne gezegende avond, waar iedereen erg enthousiast over was. Dit is zeker voor herhaling vatbaar.
En dan is er nog iets dat in dit muzikale kader niet onvermeld mag blijven, namelijk ‘het lied van de maand’. Dit is ingesteld om zowel nieuwe liederen aan te leren alsook oude, weggezakte liederen weer nieuw leven in te blazen. Een maand lang wordt dan een bepaald lied elke zondag in de eredienst gezongen. Het eerste lied van de maand was ‘De zon met haar stralen’(L&G 110) en werd gezongen in de maand oktober 2001. Om de andere maand - met uitzondering van juli en augustus - wordt een lied uitgekozen door de muziekgroep en de organist.
Inmiddels heeft de Gemeente al meer dan 80 liederen van de maand gezongen. Er zijn dus al heel wat liederen bijgeleerd. En nu maar bijhouden!
Ongetwijfeld zou er veel meer te vertellen zijn van alle muzikale wel en wee in onze Gemeente, maar ik hoop toch met hetgeen ik heb kunnen achterhalen en mij nog kan herinneren, een goede indruk te hebben gegeven van het muzikale leven der Scheveningse Baptistengemeente.
Belangrijk is echter, dat al onze talenten, ook de muzikale, ons van de Here God ten deel zijn gevallen. Wij mochten en mogen daarmee, met Zijn hulp, aan het werk gaan en in Zijn dienst staan. En zolang de Here Jezus Zijn Gemeente niet heeft thuisgehaald hopen wij op deze weg, tot eer van Zijn grote Naam, door te gaan.
Tot slot nog dit. Er gebeuren ook wel eens grappige dingen in de dienst. Nog niet zo lang geleden, op zondag 20 december 2009, de zondag, waarop heel Nederland werd bedekt met een 10 tot 20 centimeter dikke sneeuwlaag, en velen grote moeite hadden om de kerk te bereiken, werd in de voorzang van de eredienst ‘s morgens door Hans Bisschop heel spontaan lied 400 uit de bundel Lofzangen & Gebeden opgegeven. Groot was de hilariteit toen we zagen, dat dit lied begint met de woorden ‘Uw kleed moet wit zijn als de sneeuw’. Deze dag wisten we precies hoe wit dat moet zijn.
‘s Middags mochten we ons nog een keer door het Haagse Poolgebied worstelen voor de (voor de eerste maal georganiseerde) kerstzangdienst. De zaal was verre van vol, maar toch hadden we met elkaar een fijne gezegende middag. Voor mijn gevoel waren de lege stoelen bezet door een koor van engelen. Zij glijden ten slotte niet uit op gladde wegen.
Het lijkt mij goed dit hoofdstuk over zang en muziek af te sluiten met de in het begin genoemde Psalm 150.

Halleluja, looft God in Zijn heiligdom,
looft Hem in Zijn machtig uitspansel;
Looft Hem om Zijn machtige daden,
looft Hem naar Zijn geweldige grootheid.
Looft Hem met bazuingeschal,
looft Hem met harp en citer,
looft Hem met tamboerijn en reidans,
looft Hem met snarenspel en fluit,
looft Hem met klinkende cimbalen,
looft Hem met schallende cimbalen.
Alles wat adem heeft, love de Here!
Halleluja!

Eddy de Jong

Verschillende mannenbroeders in een geïmproviseerd kerststuk. Als je goed kijkt, ‘hoor’ je Barend de Kramer nog zeggen: ‘schitter, schitter - schitter, schitter’.

40 jaar lid van de Baptisten Gemeente Scheveningen. Wat is de zin?

Eind 1960 kwam ik vanuit Leeuwarden de gemeente binnen. Mijn eerste herinneringen zijn die van een prettig samenzijn op de wekelijkse Bidstonden en Bijbelstudies. Vooral de broeders bezochten de bidstonden, ze spraken Schevenings! Wat heel apart was.

Er was een oude zuster, die heel lang bad. Haar gebed ging uit als een nachtkaars, maar het was heel duidelijk dat ze leefde met God.
In mijn werkkring had ik geen christencollega’s en dit gebed bemoedigde mij altijd weer. Het was een bewijs voor mij dat God echt is en dat Hij in je woont tot de dood toe.
 
Ds. Ploeger was onze voorganger. De diensten waren kort en de gemeente vormde één echt gezin. Wij hebben niet voor elkaar gekozen, maar willen wij de grote Herder volgen, dan moeten wij elkaar accepteren. In de Bijbel staat:
“Ik ben de deur” en “Ik ben de goede Herder” en “Niemand komt tot de Vader dan door mij.” (Joh.10: 9a,11a en 14:6)

Ik herinner mij nog dat op een keer ds. Ploeger de dienst begon met: ‘Ik wil niet altijd op Scheveningen blijven’.
Er ging een siddering door de gemeente. Wij dachten ‘wat hebben wij verkeerd gedaan?’ Wat bleek al gauw: Hij zag uit naar het huis met de vele woningen bij God.
Zo zijn er veel gebeurtenissen die mij bijgebleven zijn, zoals  zusterhulp, bazaars, telefoonacties, zangkoor, evangelisatieacties en kerstvieringen.
Wij zijn met elkaar één familie, niet altijd even lief maar toch is het Gods wil dat we met elkaar samenkomen om elkaar te steunen in het geloof in de Here Jezus.

Hanna Stringer.

De B.G.S. en ik
               
Al jarenlang logeerde ik in mijn vakanties bij Hanna en bezocht dan samen met haar de gemeente. Een enkele keer mocht ik ook iets vertellen over het zendingswerk in de Congo, op bidstonden of op zusterhulp. De dames daar hebben ook eens geld ingezameld voor een van mijn leerlingen, die een zeepfabriekje wilde oprichten om zo in de behoeften van zijn gezinnetje te kunnen voorzien tijdens zijn studiejaren. Die student werkt nu, samen met René en Cecilia, op de theologische faculteit in Boma en is bezig zijn doktoraat in theologie te halen. Zusters, jullie werk en gebed is dus niet vergeefs geweest! Namens Pambu, hartelijk dank.
Toen mijn verlof een heel jaar leek te gaan duren, heeft de familie Wulffelé me in huis genomen; en toen ik een jaar eerder dan ik gehoopt had, voorgoed naar Nederland terug moest keren, hebben Hanna en heel veel gemeenteleden een appartement gehuurd, voor vloerbedekking, gordijnen, meubels en alles wat er maar nodig is gezorgd, zodat ik er meteen in kon trekken. Geen wonder dus dat ik kort na thuiskomst het lidmaatschap heb aangevraagd en blij ben dit huis ook open te kunnen stellen voor de kring en voor ieder die eens op bezoek wil komen. Hartelijk bedankt allemaal.
Tenslotte wil ik ook iedereen bedanken voor alles wat jullie doen voor Hanna; zonder die hulp zou ze niet thuis kunnen blijven wonen. God zorgt voor Zijn kinderen, vaak door middel van Zijn andere kinderen. En de Here Jezus bouwt Zijn gemeente, ook door middel van Zijn kinderen. Laten we voor elkaar bidden dat God ons meer en meer zal gaan gebruiken voor de groei van Zijn Gemeente en voor het welzijn van al haar leden.

Gretha Stringer.

Waar bleef de tijd?

Na het  met emeritaat gaan in 1953 van mijn doopdominee, ds. J. Louw, zocht de Baptisten Gemeente Den Haag-Singel naar een geschikte opvolger. Deze werd uiteindelijk gevonden in ds. W. Harkema, een oud-officier van het Leger des Heils, die sedert juni 1945 voorganger was van de toen nog vrije Baptisten Gemeente te Almelo (Nieuwstraat).
De inzegening van de zeer evangelistisch ingestelde ds. Harkema vond plaats in oktober 1954 door zijn voorganger, ds. J. Louw.
Met de komst van ds. Harkema begon een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de Haagse Gemeente.
Het accent werd vooral op de uitbreiding naar buiten gelegd. Het streven was erop gericht om in de Haagse agglomeratie verschillende dochtergemeenten te stichten (decentralisatie).
Gedacht werd toen aan uitbreidingen naar Scheveningen, Rijswijk en Delft. Vele jaren later is daar Zoetermeer bijgekomen.
Stichting van een gemeente in Rijswijk is er echter nooit van gekomen.

Verschillende evangelisatiecampagnes werden door ds. Harkema georganiseerd. Reeds in de zomer van 1955 werd op verschillende plaatsen in Den Haag een zesweekse tent-evangelisatiecampagne gehouden, waarvan de laatste twee weken op de boulevard te Scheveningen. In 1957 heeft de tent ook op de Zeesluisweg gestaan.

Vele zomers heeft de tent echter, meestal op de boulevard, gestaan. Deze campagnes waren in die jaren een begrip. Vele Scheveningers kwamen tot geloof en dit was er mede oorzaak van dat er al spoedig het hele jaar door evangelisatiediensten werden gehouden op de vrijdagavonden eens per veertien dagen,o.a. in een zaaltje  in de Ooststraat en later in het CJMV-gebouw in de Keizerstraat, hetzelfde gebouw, waar we nu kerken.
De diensten werden zeer goed bezocht en werden gehouden in de achterzaal, die er toen heel anders uitzag dan de zaal, waar we nu de diensten houden.

Wat betreft de tentcampagnes op de boulevard weet ik nog, dat elke nacht een paar broeders de wacht hielden om vernielingen te voorkomen. Ik herinner me niet dat er toen vervelende dingen zijn gebeurd.
De evangelisatiediensten werden voornamelijk ’s avonds gehouden, waar ds. Harkema zijn vurige preken hield.
Veel Scheveningers hebben daar hun Heer en Heiland gevonden. Een lievelingslied van ds. Harkema was: ‘Daar is kracht in het bloed van het Lam’ (nr. 542 Joh. De Heer).
Dit lied werd, als een soort herkenningsmelodie, elke avond gezongen. Nog hoor ik ds. Harkema met zijn stevige stem boven de samenzang uitkomen. Het was een man, die je echt enthousiast voor de Here Jezus kon maken. Ook een steeds terugkerend lied was: ‘Daar zijn geen grenzen aan Jezus’ macht’.

Overigens was niet iedereen in Scheveningen even enthousiast over de door ons gezongen liederen. Scheveningen was toen nog een bolwerk van zeer zwaar christendom, waarbij men alles wat men niet gewend was fel veroordeelde. Zo zou een oud Schevenings vrouwtje, toen ze ons hoorde zingen, eens gezegd hebben: ‘dat is van de duivel!’  De Heer heeft het haar vergeven.

Het zangkoor ‘Gode zij ons lied’ van de Haagse Gemeente o.l.v. Br. A. Gebel,  en het Haags Baptisten Mannenkoor o.l.v. Br. A. Noordhoek, verleenden  regelmatig medewerking in de tentsamenkomsten. Dat waren onvergetelijke momenten. Helaas ben ik veel uit die tijd vergeten, maar één voorval herinner ik me nog.
Het was de zomer van 1958 en ik had nog maar net verkering met  het mooiste en liefste meisje van de wereld: Fia.
Op een avond, dat het koor weer zou zingen moest ik de gerieflijke zijde van mijn aanstaande verlaten om mijn partijtje tussen de bassen mee te zingen. Ook mijn oom Gerard, een broer van mijn vader, waar ik, volgens velen meer op leek dan op mijn eigen vader, zong mee in het koor, maar dan aan de andere kant bij de tenoren. Na afloop hoorde ik van Fia, dat ze veel naar me had gekeken daar tussen de tenoren. Maar ik stond aan de andere kant bij de bassen, zei ik. Oh, wat erg, riep ze, dan heb ik de hele tijd naar je oom zitten kijken! Gelukkig zijn er ergere dingen.

Overigens heeft deze oom, die samen met Br. Arie Noordhoek – de latere dirigent van het Schevenings Vissersvrouwenkoor– organist was in de Haagse Gemeente, in latere jaren nog vaak als invalorganist in de Scheveningse Gemeente het orgel bespeeld.

Al met al hebben de tentcampagnes en vooral ds. Harkema een belangrijke bijdrage geleverd aan het ontstaan van de Baptisten Gemeente in Scheveningen. De belangrijkste bijdrage kwam echter van de Heilige Geest, waardoor deze tijd voor velen tot een grote zegen is geweest.

De stichting van de Baptisten Gemeente Scheveningen werd uiteindelijk een feit op 13 maart 1960. Vierenvijftig leden van de Haagse Gemeente gingen over naar de nieuwe Gemeente Scheveningen, onder anderen emeritus predikant ds. J. Louw met echtgenote, ouderling Br. W. Bots met zijn gezin van 10 kinderen en natuurlijk de beide Tabitha zusters Janke Veenstra en Froukje Sysbesma.
Na deze overschrijving telde de Haagse Gemeente nog steeds meer dan driehonderd leden (vrienden werden toen niet geregistreerd).  

Ouderling Br. Bots is voor de Scheveningse Gemeente tot een grote steun geweest. Hij was een zeer gelovige, vriendelijke man met een heel aparte smakelijke lach. Hij was een echte Groninger en dat kon je horen ook. Net als de Vlamingen sprak hij de h niet uit op de plaatsen, waar dat hoorde; daarentegen wèl daar waar het niet moest. Zo had hij het eens over ‘de hengeltjes in de emel’. Dit zijn lang gevleugelde woorden gebleven. Zo lang dat ik ze nu nog weet. Met vrouw en kinderen woonde hij in de Van Egmondstraat. Als ik mij goed herinner luisterde de kinderschaar naar de volgende namen: Jan, Jannie, Rikie, Wim, Alie, Henk, Winnie, Jannes, Rietje en Truusje (helaas op achtjarige leeftijd overleden).

Over de juiste volgorde steek ik mijn handen niet in het vuur, maar ongeveer klopt het wel. De middenmoot was ongeveer van mijn leeftijd en daar ben ik destijds ook het meest mee omgegaan, eerst op de tussenjeugd en later op de grote jeugd. Vier kinderen zijn later naar Canada geëmigreerd. Het was een leuk gezin, waar altijd iedereen welkom was.  Helaas zijn alle contacten reeds lang verloren gegaan.

Op 18 september 1960 kreeg onze Gemeente haar eerste voorganger in de persoon van Keimpe Corporaal, een tijdelijk huisgenoot van ds. Harkema en afgestudeerd aan het Baptisten Seminarie te Hamburg.
Later zou hij in het huwelijk treden met Rietje Bots.
Ze zal inmiddels wel Rie of Riet genoemd worden, maar ik heb haar altijd als Rietje gekend.

Andere klinkende namen uit de begintijd waren o.a. de bekende visboer  C. Dijkhuizen (de vader van Adrie Wulffelé), een boom van een kerel, die overal waar hij kwam van de Heer Jezus getuigde en verder Br. Roos, Br. Akker, Br. Knoester en Br. Jol, bij velen van ons nog wel bekend.

Van Br. Dijkhuizen herinner ik me nog een anekdote. We waren voor een vergadering bijeen in een zaaltje in de Doornstraat. Voordat de Gemeente in de Marcelisstraat ging kerken, werden de diensten daar gehouden.
In een toespraak gebruikte ds. Corporaal het woord ‘essentieel’ en voor hij verder kon gaan, stond br. Dijkhuizen op en vroeg luid en duidelijk: ‘wat betekent essentieel,  dominee?’. Ds. Corporaal, niet van zijn stuk gebracht, antwoordde hem gelijk en zei: ‘essentieel’ betekent ‘wezenlijk’. Met dit antwoord was Br. Dijkhuizen kennelijk tevreden, want hij vroeg niet verder.
Of hij wist wat ‘wezenlijk’ betekende? Zeker ben ik er niet van, maar misschien weet Adrie hier meer over.

Dit was allemaal ongeveer een halve eeuw geleden. Veel van wat toen is gebeurd, is inmiddels vervaagd en slechts enkele dingen zijn blijven hangen.

Maar het belangrijkste is, dat de Gemeente Scheveningen – in voor- en tegenspoed – haar Heer en Zijn Woord al die jaren trouw is gebleven. En daarmee willen we doorgaan tot de Here Jezus terugkomt om Zijn Gemeente tot zich te nemen. En moge dan blijken dat wij, ondanks alle opkomende vrijzinnigheid en modernisme – helaas ook in verschillende Baptisten Gemeenten – de goede strijd hebben gestreden, niet uit onszelf, maar door de kracht van de Heilige Geest, die in ons woont.

Ik wens de Gemeente nog een gezegende tijd toe.

Eddy de Jong. 

En dat is het belangrijkste....!

Het is al 28 jaar geleden toen ik mijn eerste voetstap zette in de Baptistengemeente van Scheveningen. Mijn eerste indruk toen ik binnen kwam, in maart 1982 was;
Wat een kleine groep mensen!
Ik ging veilig achteraan zitten om een beetje de kat uit de boom te kunnen kijken. De dienst verliep ordelijk onder leiding van ‘lerend ouderling’ J. v/d Zeeuw. De preek was goed en Bijbelgetrouw (voor zover ik dit na één dienst kon beoordelen). Toen de dienst afgelopen was hebben verschillende mensen mij aangesproken en gevraagd waar ik vandaan kwam enz enz, u kent dat wel.
Eén gesprek van die eerste keer staat me echter na 28 jaar nog steeds helder voor ogen. Of eigenlijk moet ik zeggen het slot van dat gesprek.
Zr. Nannie Vissering kwam naar me toe en na wat belangstellende vragen te hebben gesteld besloot ze met de woorden (of iets van die strekking):
‘We zijn misschien maar een kleine gemeente, maar in ieder geval wordt Gods Woord hier verkondigd.’
Ze draaide zich om en liep weg en hiermee was het gesprek beëindigd, geen discussie mogelijk.

Ik heb daar toen niets op gezegd, maar wist zeker.
Als dit zo is dan moet ik hier zijn.
En in al die jaren is het gebleken zo te zijn.

Ik wens de gemeente - zolang de Here niet is teruggekomen -  nog veel van deze jaren toe.

Wim van den Hof.

Telefoon, Telefoon, Telefoon,.........?

Als ik een bijdrage mag leveren voor het herinneringsboek zou ik iets willen schrijven over o.a. de telefoonactie. Evangeliseren was mij wel bekend, deur aan deur, mensen aanspreken op straat. Dit komt mede door mijn achtergrond bij het Leger des Heils.
In 1989 kwam ik in Den Haag wonen en werken als officier van het Leger des Heils. Ik was dus géén lid van de Baptistengemeente, ik was heilsoldaat van het Leger des Heils en niet getrouwd.
Daar is in 1991 verandering gekomen toen ik trouwde met Wim van den Hof en ik werd in juni 1992 gedoopt.
Mijn geloof was een leven in woord en daad, dus zou ik ook binnen de Baptistengemeente niet stilzitten. Mijn man als oudste in de raad van de Baptistengemeente steunen. In mijn leven staan ouderen en jongeren op een belangrijke plaats, zij hebben ook mijn hart. Zingen deed ik graag dus werd ik lid van Zangkoor Glorieklanken. Zo had ik al snel véél contacten. Ouderen ontmoette ik thuis en ook de zusters op zusterhulp. Samen met Hanna Stringer hebben wij vele mooie herinneringen. De Bijbel centraal in al onze ontmoetingen. Na een periode van starten van kringwerk is zusterhulp dan ook overgegaan in de Philidelphiakring. Jongeren ontmoette ik op zondag, eerst in de crèche en later op de zondagsschool en de Vakantie Bijbel School, nu Super Holiday voor kids.
Oudere jongeren waren op avonden bij ons thuis voor Bijbelstudie en gesprekken. Schrijven in de Heraut, ook altijd leuk om belevenissen en ervaringen te delen voor mensen die er niet bij konden zijn. Maar de telefoonactie was me totaal onbekend. Dus een avond bij br. J. v/d Zeeuw thuis om dat mee te maken en ook daar werd ik enthousiast voor! Heel wat uurtjes hebben wij gebeld met ouderen en jongeren/studenten in Scheveningen. Samen met Hanna Stringer en Coby Woerdenbag. Soms mochten wij nog eens terug bellen. De gesprekken gingen n.a.v. een vragenlijst en we boden het boekje aan: Veilig ,Zeker en Gelukkig.
Maar niet iedereen stelde het op prijs om gebeld te worden en vroegen: Hoe kwamen we aan de adressen? Die adressen kwamen van Ad v/d Bergh die ze kopieerde vanuit de telefoongids en dus openbaar waren.
Het is allemaal verleden tijd, er is geen telefoonactie méér. Gelukkig zijn er wel contacten waardoor we kunnen evangeliseren. Laat ik zo ook de Thuishaven, een verzorgingshuis op Scheveningen, noemen. Maar eerder nog Deo Gratias, een ander verzorgingshuis, want daar kwam, Zusterhulp op een middag samen met bewoners en sprak zr. Gerda van der Zeeuw een Bijbelwoord en speelde zr. Knoester op het orgel. Met de verhuizing van fam. v/d Zeeuw mocht ik de middag helpen organiseren met zusterhulp en het Bijbelwoord spreken en later speelde Eddy de Jong op het orgel of Else Koning op de gitaar.
Nu komen wij in de Thuishaven samen en hebben daar een koffieochtend die wij organiseren met zusters uit andere kerken. Zo gaat Gods woord klinken in harten van mensen en kinderen. Wij mogen zaaien en ontdekken hoe groot God is.
Mijn bijdrage aan dit boek heb ik dan ook willen leveren omdat ik dankbaar mag terugzien in mijn leven. De Bijbelverhalen, waarin over de Here God en de Here Jezus gesproken werd, voor mij aanvaarden, al als jong meisje in mijn leven, als kind op de zondagsschool van het Leger des Heils. In de afgelopen jaren is mijn geloof gegroeid door de bijeenkomsten op zondag, de Bijbelstudies en vele andere momenten. De Here Jezus is mijn kracht, de Heilige Geest mijn gids door het leven. Psalm 27 staat centraal in mijn leven en dit wil ik aan de lezer meegeven in alle tijden, en onder alle omstandigheden.
Psalm 27 vers 1 en 14; “De Here is mijn licht en mijn heil voor wie zou ik vrezen? De Here is mijn levensveste voor wie zou ik vervaard zijn? ..... Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onversaagd: ja wacht op de Here.”
God was er in het verleden, Hij is er vandaag en in de toekomst zal Hij er zijn!

Thea van den Hof- Busé.

Het donkere jaar 1980

Onze voorganger ds. Ploeger was in een andere Gemeente beroepen en nam van de B.G.S. afscheid in 1976.
Wij waren dus vacant en in die periode was ds. Jut onze consulent.
Na enige tijd werd de vacature, met een jaarcontract, door br. J. v/d Harst vervuld. De eerste tijd ging het goed met de gemeente totdat onze voorganger een andere koers ging varen en zich meer op de jongeren ging richten.
Op zichzelf is dat niet zo erg maar hij wilde de oudere gemeenteleden uit de Gemeente hebben.
Hij vroeg aan mij of ik in de raad wilde komen zodat ik dan het ambt van br. L. Piersma kon overnemen die penningmeester was. Hoewel ik niet afwijzend tegenover br. J. v/d Harst stond weigerde ik het aanbod aan te nemen.
Op een zondagochtend voor de dienst kwam hij met een papier dat sommige leden moesten ondertekenen zodat zijn plannen konden doorgaan.
Verschillende mensen hebben het inderdaad getekend, weer weigerde ik. Het bestuur was ook verdeeld.
Uiteindelijk werd besloten om dit aan de Unie voor te leggen waarop een avond werd belegd en de Unie vertegenwoordigd werd door ds. Brandsma en ds. Veenstra.
De avond verliep rumoerig en het slot van het liedje was dat br. J. v/d Harst de Gemeente verliet. Dezelfde week kwamen br. L. Piersma en zr. H. Stringer op huisbezoek bij de gemeenteleden langs om de reactie van  de gemeenteleden te peilen.
De zondag daarop was de schade die was aangericht duidelijk te zien in de zaal, er waren ongeveer nog 13 gemeenteleden aanwezig, meest ouderen, wij de fam. Wulffelé waren de jongsten.
De Baptisten Gemeente Scheveningen was weer vacant en bovendien was de raad gehalveerd. Eerst moest de raad aangevuld worden maar er was weinig keus. Uiteindelijk stelde ik mij beschikbaar en werd gekozen tot diaken. Door onze vorige voorganger ds. Ploeger werd ik ingezegend. De raad bestond nu uit Br. L. Piersma, br. W. Wulffele, zr. H. Stringer en zr. N. Vissering.
De eerste tijd maakten wij gebruik van gastsprekers en in 1981  kwam br. J. v/d Zeeuw als voorganger voor drie dagen bij ons, zo kersvers uit de opleiding in België.
Onder de bezielende leiding van br. v/d Zeeuw begon de Gemeente weer te groeien en werd de raad versterkt met  br. R. Bogaerds en br. W. v/d Hof.  De diaconessen waren uit de raad gestapt.
Dat was het einde van een donker jaar in de Baptisten Gemeente Scheveningen.

Wim Wulffelé.

Het stuk dat zr. Hazewinkel geschreven heeft bij het 25 jarig bestaan van de B.G.S.

In 1954 legde ds. J. Louw zijn taak in de Haagse gemeente neer in verband met zijn emeritaat. In hetzelfde jaar werd ds. Louw opgevolgd door ds. W. Harkema uit Almelo. Ds. Harkema was een man van evangelisatiewerk en hij begon reeds in 1955 met tentsamenkomsten in de stad. Zes weken lang stond de tent telkens twee weken op het Hobbemaplein, aan de Boulevard en aan het eind van de Duinstraat, bij de brandweerkazerne. Het bezoek was verschillend, de ene keer waren er wat meer bezoekers dan de andere keer, maar het meeste bezoek kwam in Scheveningen. Er waren avonden dat de zijkanten van de tent omhoog gezet werden, omdat de tent vol was! Het evangelisatiewerk ging door in Scheveningen, er werd een zaaltje gehuurd in de Ooststraat (waar nu de Vergadering van Gelovigen samenkomt) en daar ging men verder werken. Dit gebouwtje was al snel te klein. Men ging uitkijken naar een grotere zaal, die gevonden werd in de Keizerstraat 58. Deze zaal was veel groter en men zat er ruimer. Een hele vooruitgang dus! Er kwamen ook meer mensen om naar de boodschap van Gods liefde te horen. De leden van de Baptistengemeente Den Haag, voorzover zij in Scheveningen woonden bezochten ook de diensten in de Keizerstraat. Zo ging het werk vanuit de Haagse gemeente gestadig door, dit alles onder leiding van ds. Harkema. Het duurde niet lang, of de vraag van de Scheveningse leden kwam naar voren om op zondagmiddag diensten te gaan houden. Na overleg met de Haagse gemeente kwam dit tot stand. In het Wijkcentrum in de Badhuisstraat 260 werd de bovenzaal gehuurd en zo begonnen de diensten op zondag om vier uur in Scheveningen. Er waren intussen al broeders en zusters overtuigd van de doop en zij sloten zich bij de gemeente aan.
Als broeders en zusters van dit stukje werk gingen we met Gods hulp een stapje verder: men wilde graag een zelfstandige gemeente worden. Op zondag 13 maart was de grote dag waarop de instituering van de Baptistengemeente Scheveningen plaatsvond.
‘s Middags om vier uur werd er een dienst gehouden in het gymnastieklokaal van het Johan de Wittlyceum. Nieuwe Duinweg 15 in Scheveningen. Het was een fijne en gezegende dienst De Haagse gemeente was onze gast en vele anderen uit allerlei plaatsen waren aanwezig. De dienst stond onder leiding van ds. Harkema. Na een korte toespraak ging ds. Harkema over tot de instituering. De nieuwe kerkeraad bestond uit de brs. ds. W. Harkema voorzitter, W. Bots ouderling-secretaris, H. Akkers ouderling, J.G. Knoester diaken-penningmeester, C. Dijkhuizen, diaken. De Haagse gemeente bood haar gelukwensen aan, waarbij br. J. Bolten een prachtige kanselbijbel overhandigde aan de jonge gemeente. De zusters van Tabitha boden bij monde van zr. Luijten een avondmaalsstel en een tafelkleed aan. Br. Knoester bood namens de gemeente vijftig zangbundels aan. Met deze cadeaus kon de gemeente verder, waarbij de Bijbel de grondslag van de gemeente is, het Avondmaalsstel met het brood en de beker de dood des Heren doet gedenken en de zangbundels, waarmee wij onze lofzang mogen doen klinken tot eer van Zijn Naam. De Baptistengemeente Scheveningen was gesticht met 45 leden, en nu moesten we verder! In gedachte was men reeds bezig met een eigen Centrum. De kans deed zich spoedig voor! Na overleg met de Haagse gemeente werd het pand Doornstraat 25 aangekocht. Het was een mooi huis, maar het moest verbouwd worden. De begane grond werd kerkzaal, er werden een podium en een doopvont gebouwd en de 2e etage werd verbouwd tot woning voor de toekomstige predikant. (De 1e etage was verhuurd en dat bleef voorlopig zo.) In de herfst van 1960 was de bouw klaar en werd ons Centrum dan ook dankbaar in gebruik genomen. Intussen was ds. K. Corporaal beroepen naar de gemeente Scheveningen en hij nam het beroep aan. Zijn etage stond inmiddels klaar! Naar de dag dat ds. Corporaal naar Scheveningen zou komen, 18 september 1960 hebben we uitgezien. De kleine gemeente, die nog maar zo kort bestond, had nu reeds een eigen gebouw en een eigen predikant. Wat hebben we Gods grootheid ervaren en Zijn genade aan ons betoond! Op zondag 18 september was de grote dag daar, ds. Corporaal deed zijn intrede in de Baptistengemeente Scheveningen. ‘s Morgens om 10.00 uur vond de bevestiging plaats door ds. Harkema ‘s middags om 16.00 uur deed ds. Corporaal zijn intrede en ‘s avonds vond er een begroetingsdienst plaats. Deze diensten werden gehouden in het Johan de Wittlyceum. Deze dag zullen we niet licht vergeten en er volgde een goede tijd in de gemeente onder leiding van ds. Corporaal. De Here schonk ons Zijn zegeningen. In januari 1961 ging voor de eerste keer het doopvont open en een broeder daalde af in het watergraf. In de loop der jaren volgden meer broeders en zusters. Scheveningen ligt aan de Noordzee en daar kan het nog wel eens flink stormen. Zo ging het echter ook in onze jonge gemeente. In 1962-1963 kwamen er moeilijkheden met onze buren. Ze hadden last van ons vooral op zondag vanwege de muziek, het zingen en het spreken, enz. Er werd gepraat met de kerkeraad, maar niets hielp. Uiteindelijk kwam het stadsbestuur en de hinderwet er aan te pas. Na veel gepraat werd ons door het stadsbestuur de sportzaal aangeboden van de Prins Willemschool en een klaslokaal. In de sportzaal konden de kerkdiensten gehouden worden en in het klaslokaal de zondagsschool. Dit lokaal kon ook gebruikt worden voor de doordeweekse bijeenkomsten, zoals de bidstond, zang, zusterhulp en het jeugdwerk. Na dit alles ging het werk rustig door. In januari 1965 nam ds. Corporaal een beroep aan naar de Baptistengemeente Muntendam. Het werk ging nu door onder leiding van br. Bots. In februari 1966 kwam ds. H. Ploeger tot ons, om het werk in de gemeente voort te zetten. Met de komst van ds. Ploeger en zijn gezin brak een goede tijd aan. Ds. Ploeger moest het werk verdelen: drie dagen in de gemeente en drie dagen in Tabitha. Ds. Ploeger heeft veel werk verzet in Tabitha en in de gemeente. Verschillende keren ging het doopvont open en daalden broeders en zusters af in het watergraf. Ook de twee dochters van ds. Ploeger werden in die tijd gedoopt. Sinds 1968 worden de diensten gehouden in het gebouw van de Wijkvereniging Scheveningen. Na tien jaar nam ds. Ploeger afscheid om zijn werk voort te zetten als ziekenhuispredikant in Arnhem. Na het vertrek van ds. Ploeger was de gemeente herderloos, maar ds. H. Jut was gelukkig bereid ons te helpen. Ds. Jut vervulde de spreekbeurten, verzorgde de Bijbellezing en leidde de bidstond, enz. En dan nog zeer veel huisbezoek, wat door leden en gemeente zeer op prijs werd gesteld. Het was een fijne tijd met ds. Jut en een goed samenwerken. In 1979 kregen we een nieuwe werker in de gemeente evangelist br. van der Harst. Na een korte tijd kwamen er moeilijkheden en dat leidde ertoe dat br. van der Harst en een aantal gemeenteleden zich terugtrokken. Hierna brak er een moeilijke tijd aan voor de gemeente, maar met Gods hulp en leiding zijn we doorgegaan. In 1981 kwamen we in contact met br. J. van der Zeeuw, die werkzaam was in België Na veel overleg en vergaderen met de kerkeraad en de gemeente werd besloten br. van der Zeeuw te vragen drie dagen per week in Scheveningen te komen arbeiden. De andere twee dagen gaf hij les aan een MAVO in Alphen aan den Rijn. Later is hij op de twee resterende dagen evangelisatiewerk gaan doen voor de Baptistengemeente Leiderdorp. Op zondag 8 november 1981 werd ds. van der Zeeuw in Scheveningen ingezegend als voorganger van onze gemeente. Het werk ging weer verder er werden nieuwe contacten gelegd door middel van het evangelisatiewerk en er werden gesprekken gevoerd met gelovigen en ongelovigen. Het werk onder de kinderen werd weer ter hand genomen de zondagsschool werd nieuw leven ingeblazen er werden kindermiddagen georganiseerd en er werden en worden z.g. Vakantie Bijbelscholen gehouden in de openlucht voor kinderen van vier jaar en ouder. Het zangkoor Glorieklanken zingt nog altijd, Zusterhulp is weer begonnen na enkele jaren stil gelegen te hebben en elke week wordt er bidstond en bijbelstudie gehouden. De laatste drie jaar zijn zestien broeders en zusters bij de gemeente gekomen. Vijf van hen zijn in onze gemeente gedoopt, de anderen kwamen van elders. Ook zijn er verschillende 'vrienden' bij de gemeente gekomen. Met vreugde en dankbaarheid mogen we terugzien op de laatste jaren, waarin de Here Zijn zegen aan ons gegeven heeft. Na een aantal jaren van storm is er nu weer kalme zee waarop we mogen verder varen. Zo ben ik in vogelvlucht deze vijfentwintig jaar door gevlogen. Moge de Heer in de komende tijd het werk in Scheveningen met Zijn zegen bekronen!

Zr. G. Hazewinkel. (✝)

Gastvrijheid, vertrouwen, zorg, liefde voor Jezus

Het is voor Jolanda en mij inmiddels ruim tien jaar geleden dat wij de Scheveningse gemeente verlieten. Nog steeds koesteren wij goede herinneringen aan de kleine zeven jaar dat wij de rol van voorgangers echtpaar in jullie midden mochten vervullen. Dit komt voornamelijk door een aantal karakteristieke kenmerken, die voor ons onlosmakelijk verbonden zijn met de Baptistengemeente in Scheveningen. 

Als eerste is dat de gastvrijheid. Al direct op de intrede-zondag werd ons als jong gezin een onvergetelijk welkom bereid, wat de toon heeft gezet voor de daarop volgende jaren. Telkens opnieuw werd bewezen dat de gemeente uitblonk door het creëren van een gezellige sfeer, waarin velen zich thuis voelden.

Als tweede noem ik vertrouwen. Voor ons bleek dat uit het feit dat jullie ons hebben beroepen, terwijl we nog geen enkele ervaring hadden in het leiden van een gemeente. Toch was dit voor jullie geen belemmering. Ook binnen de gemeente zelf kregen veel mensen de ruimte om een taak uit te oefenen op de wijze die bij hen paste. Een derde punt is ongetwijfeld zorg. Binnen de gemeente was er een enorme betrokkenheid op elkaar. Er werd op een warme, liefdevolle wijze met elkaar meegeleefd in tijden van zorg en verdriet. Als vierde en laatste punt wil ik tenslotte de liefde voor Jezus noemen. Had ik dit als eerste moeten noemen? Misschien wel, want de eerder genoemde zaken komen hier uit voort. De liefde voor Jezus vormde altijd weer de basis van het volledige gemeenteleven. De bereidheid om anderen gastvrij te ontvangen, elkaar vertrouwen te geven en naar elkaar om te zien, kwamen voort uit het rotsvaste geloof dat wij gastvrij waren ontvangen door God, dat Hij ons vertrouwen gaf en dat Hij naar ons omzag.

Bovenstaande zou de indruk kunnen geven, dat de gemeente volmaakt was! Dat is natuurlijk niet zo. Maar het zijn niet de strubbelingen, de soms pittige discussies naar aanleiding van allerlei veranderingen, de woordenwisselingen als er soms een verschil van mening was, die ons bij zijn gebleven. Het overduidelijk aanwezige geloof, de persoonlijk relatie met Jezus, en de vele gesprekken die we daar met even zo vele lieve broeders en zusters hebben gevoerd staan ons nog wel steeds helder voor de geest!
Tien jaar na ons vertrek beschouwen we het nog steeds als een groot voorrecht dat we zeven jaar lang van jullie – en van Gods werk in jullie midden – hebben mogen genieten. Van harte geluk gewenst met dit vijftigjarig jubileum: een teken van Gods trouw en nabijheid. We bidden jullie ook voor de komende jaren zijn onmisbare zegen toe.

John Bestman.

Broeders en zusters van de B.G.S.

Ook mij is gevraagd een stukje te schrijven over mijn ervaringen in de Baptistengemeente Scheveningen.

Na een langdurige beroepingsprocedure, ben ik als voorganger ingezegend, door Br. Jaap  van der Zeeuw, op 21 januari 2001.

In de tijd dat we in jullie midden waren hebben we gemerkt dat de gemeente een warm hart heeft voor bejaarden en kinderen.
- De bejaarden, ook zij die al een tijd niet meer naar de diensten konden komen, werden regelmatig genoemd en betrokken bij de gang van zaken in de gemeente.
- Ook het kinderwerk en de Superholiday’s waren een bijzonder onderdeel van het gemeentewerk. Ik was zoveel mogelijk aanwezig op de middagen van de Superholiday’s.
Er was altijd een bijzondere sfeer en de aanwezige kinderen kregen altijd een duidelijke boodschap mee naar huis.
- Verder ervoeren we ook het gemeentekerstfeest als een speciale gebeurtenis en een mogelijkheid om het evangelie uit te dragen naar bekenden en vrienden van de gemeenteleden.

We hebben in de jaren dat we in Scheveningen mochten wonen, velen van u beter leren kennen en zijn daar dankbaar voor. Er zijn banden voor het leven gesmeed. Hoewel het niet steeds eenvoudig was, was het toch een bijzondere tijd in jullie midden. We zijn dankbaar voor jullie liefde en zorg.

Eind 2003 werd het gemeentewerk me te zwaar, het blijkt dat ik toen al kanker had. We zijn in juli 2004 overgestapt naar het werk bij de Belgische Evangelische Zending. Ik werd verantwoordelijk voor het werk in de winkel van Het Goede Boek te Leuven. Een werk dat Linda en ik met heel ons hart blijven doen.
We zijn blij dat we regelmatig een delegatie vanuit de BGS mogen ontvangen

Wij willen jullie allen feliciteren met dit jubileum.

Onze dank gaat vooral uit naar de Heer die het werk in stand heeft gehouden. In Zijn liefde verbonden,

Ger Smit

De zending

De Baptisten Gemeente is altijd een Gemeente geweest met een warm hart voor de zending. We hebben dan in de loop der jaren al heel wat zendelingen (mede) mogen ondersteunen. Op dit moment zijn er eigenlijk twee zendingsechtparen die we ondersteunen als Gemeente. Dat zijn sinds jaar en dag Wacklaw en Renate Koziej en hun drie kinderen (Magda, Artur en Robert) uit Polen. En het zendingsechtpaar Maarten en Nelleke Slot met hun vier kinderen (David, Anne Dagmar, Yoram en Rozaline) in Spanje.

Hieronder ziet u een bijdrage van Maarten en Nelleke.

Het is al weer even geleden dat we als pasgetrouwd stel in de gemeente Scheveningen kwamen. Nelleke kwam uit het Noorden, en Maarten uit het nabijgelegen Katwijk en we hadden in de Badhuisstraat woonruimte gevonden. We zaten dichtbij de Marcelisstraat, we hoefden maar een klein stukje te lopen en dan waren we er al.

De Baptisten Gemeente was voor ons een fijne plek waar we ons snel thuis voelden. We voelden ons welkom, leerden mensen kennen en ondervonden veel gezelligheid. De Gemeente was ook een steun en hulp. Ik, Nelleke, ging in die tijd studeren in Engeland en Maarten merkte dat de Gemeente toen ook om hem heen stond. Later, toen Maarten ging varen en ik steeds een paar maanden alleen was, was de gemeente er ook voor mij. We werden uitgenodigd voor het eten bij mensen, er werd op David (toen nog een baby) gepast als ik naar college moest in Leiden. Er was belangstelling en hulp waar nodig! Ik herinner me nog dat ik met een lekke band bij de kerk stond en dat Ad en Barend de band verwisseld hebben.
In 1996 verhuisden we naar Bolsward en namen we afscheid van Den Haag en van de Gemeente.  Het contact bleef echter!
In 2005 zijn wij naar Engeland gegaan om een voorbereidende theologische studie te volgen om bij de CAMA te gaan werken en het is voor ons bemoedigend geweest dat de Gemeente Scheveningen toen achter ons ging staan en nu wij in Spanje werken een van onze ondersteunende gemeenten is. Als we op bezoek komen is het altijd leuk om de bekende gezichten te zien!
Gefeliciteerd met jullie jubileum en we bidden dat jullie als Gemeente nog lang in Gods koninkrijk zullen mogen blijven werken.

Het Gemeenteblad

Het is voor een Gemeente belangrijk om een Gemeenteblad te hebben. Hierin kunnen de leden op de hoogte worden gehouden van allerlei zaken, die in de Gemeente spelen. Te denken valt dan aan o.a. predikbeurten, Gemeenteberichten, bijdragen van Gemeenteleden en mededelingen van de Raad.
De scheveningse Gemeenteberichten hebben vele jaren deel uitgemaakt van de Haagsche Gemeentebode, vanaf 1973 Mirtepraat geheten. Dit samen optrekken is begrijpelijk als men bedenkt, dat de Raden van beide Gemeenten regelmatig in contact met elkaar stonden. Verschillende Gemeentelijke activiteiten werden in de beginjaren dan ook gezamenlijk gedaan. Zo herinner ik me nog een Gemeentedag in Duinrel op tweede Pinksterdag in 1966. Met een Haags team heb ik toen nog gevolleybald tegen een Schevenings team, waarin ds. Ploeger en Luc Piersma meespeelden. Dat waren gezellige tijden, maar geleidelijk is deze samenwerking toch verwaterd. Het was natuurlijk ook zo, dat in de beginperiode de Hagenaars en de Scheveningers elkaar bijna allemaal kenden. Men had dan ook belangstelling voor elkaars Gemeenteberichten. Maar naar gelang de jaren verliepen kregen beide Gemeenten nieuwe leden, die de mensen uit de andere Gemeente niet kenden.
Toch heeft het nog tot 1984 geduurd tot de Gemeente Scheveningen met een eigen blad zou uitkomen. Opvallend was, dat de hoofdreden hiervan niet was, dat de Gemeenten uit elkaar gegroeid waren, maar dat de Scheveningse Gemeente meer ruimte in de Mirtepraat nodig had dan er beschikbaar werd gesteld. In goed overleg is toen besloten elk zijns weegs te gaan.
Voor ds. Jaap van der Zeeuw was dit een goed moment om met een eigen Gemeenteblad te komen.
Dat werd dus ‘De Heraut’, die nu net aan zijn 27e jaargang is begonnen. Het blad werd geheel in eigen beheer verzorgd, gedrukt (aanvankelijk gestencild) en uitgegeven. Alle voorbereidende werkzaamheden vonden plaats in de pastorie in de Viviënstraat. Ook de wekelijkse Bijbelstudie- en bidstondavonden werden daar gehouden. Aan deze - goed bezochte - avonden bewaar ik nog heel goede herinneringen.
De Bijbelstudie werd, zoals ook nu nog, voorafgegaan door een gezellig samenzijn onder het genot van een kopje koffie of thee, waarbij ook wel eens de Heraut ter sprake kwam. Zo had ik eens een karikatuurtje getekend van Jaap van der Zeeuw.
Dat was natuurlijk heel riskant, maar ik kende inmiddels zijn gevoel voor humor. Daarom waagde ik het ook te vragen of het tekeningetje in De Heraut zou mogen worden afgedrukt. Jaap wilde hier nog geen ja of nee op antwoorden; hij wilde er nog over nadenken. Mogelijk zou het - zo dacht ik - zijn gezag als voorganger kunnen ondermijnen. Daar zou ik begrip voor kunnen opbrengen. Maar ik moest wachten tot de eerstvolgende Heraut was uitgekomen.
Toen het eenmaal zo ver was, zat ik echt een beetje in spanning of de karikatuur zou zijn afgedrukt of niet. Wat zou de doorslag hebben gegeven: het gevoel voor humor of de angst voor gezagsverlies? Jaap gaf mij met een ernstig gezicht een exemplaar van DE Heraut en met bijna bevende vingers begon ik hem door te bladeren. Wat was ik benieuwd. De teleurstelling moet van mijn gezicht te lezen zijn geweest, toen bleek, dat de karikatuur niet was afgedrukt. Diep in mijn hart had ik gehoopt op een ander gevoel voor humor van mijn voorganger. Ik voelde dat alle ogen op mij waren gericht. De spanning was te snijden. Ik moet, heel bedremmeld, zoiets als ‘nou ja, ik kan het wel begrijpen’ gemompeld hebben.
Maar het verhaal is nog niet af. Hierna kreeg ik nóg een Heraut in m’n handen gedrukt en wat bleek? Dáár stond de karikatuur wèl in. En dit was het nummer, dat verspreid zou worden. Nadat ik verwerkt had, dat ik in een baptisten bananasplit zat, kon ik hier met alle andere aanwezigen, smakelijk om lachen. Ik was goed te pakken genomen, maar mijn vertrouwen in de voorganger was weer helemaal hersteld.
In de loop der jaren is er een hele ontwikkeling geweest van de Heraut. Behalve dat hij steeds dikker werd, kwamen er ook geleidelijk meer illustraties in te staan en kreeg het blag een steeds beter aanzien. Inmiddels loopt alles via de computer, bekwaam bestuurd door Roos en Casper Heeneman, die hier erg veel werk aan hebben. Ook Wim v.d. Hof draagt hieraan, als eindredacteur, de nodige steentjes bij. Het eindproduct mag er dan ook wezen.
En dat alles door Broeders en Zuster, die hun talenten van de Heer hebben gekregen en die ook in Zijn dienst willen gebruiken.
Dat we als Gemeente een Heraut mogen zijn bij het verkondigen van het heil in Christus en van Zijn (spoedige) wederkomst voor de Gemeente: Geprezen zij Zijn grote Naam.

Eddy de Jong.

Jubileumlied (geschreven door Gusta van Haasen)
op de melodie van: Waarheen pelgrims,waarheen gaat gij (Joh. De Heer 232)

1.
Vijftig jaar is het geleden, dat de Heer de eerste steen,
legde van onze gemeente, en Hij liet ons nooit alleen.
Op de bergen en in dalen kunnen wij daarvan verhalen,
kunnen wij daarvan verhalen, altijd ging Hij met ons mee,
en Hij bouwde Zijn gemeente ook bij ons, vlak aan de zee.

2.
Samen vormen wij Zijn huis, steen voor steen, zoals het moet
Ondanks stormen in de wereld, maakt Hij alle dingen goed!
Over bergen en door dalen, gaan wij naar de blijde zalen,
gaan wij naar de blijde zalen van Gods huis, in' t Vaderland
gaan wij naar de blijde zalen van Gods huis in' t Vaderland.

3.
Dank de Heer voor al Zijn gaven, die wij kregen al die tijd
laten wij dan voor Hem leven, nu en tot in eeuwigheid
Jezus Christus Heer der Heren, Hem met alles mogen eren,
Hem met alles mogen eren, daartoe Zijn wij toch Zijn kerk,
en Hij zal het al voleinden, want wij zijn Zijn eigen werk.

4.
Met Zijn zegen gaan wij verder, tot Hij zegt: het is nu tijd.
En wij volgen onze Herder tot het einde van de strijd.
Dan zal onze Heer verschijnen, nacht en zonde gaan verdwijnen,
nacht en zonde gaan verdwijnen, en Zijn Koninkrijk breekt aan,
recht en vrede zullen heersen, alles zal in Zijn dienst staan.

En nu verder ….!

Als gezin mogen we deel gaan uitmaken van de Baptistengemeente Scheveningen in een bijzonder gedenkjaar.
Een 50-jarig jubileum van een plaatselijke gemeente is een geweldige reden tot dankbaarheid aan de Opperherder van de Gemeente, de Here Jezus Christus.
Hij is het, Die Zijn Gemeente wereldwijd bewaart en in stand houdt.
De Baptistengemeente Scheveningen mag dit jubileum vieren met de gedachte aan het Joodse Jubeljaar, zoals we lezen in Leviticus 25:10
“Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn,……”.

Ons gebed mag zijn, dat ook dit jubileumjaar een jubeljaar voor de Here mag zijn, waarin we Hem alle lof en eer mogen brengen.
Een jubeljaar kenmerkte zich door heiligheid en vrijheid.
Heiligheid vloeit voort uit onze relatie met de Here Jezus Christus, Die ons leert: “Weest heilig, want Ik ben heilig”.
Hoe meer we naar Jezus toegroeien, hoe meer we in zijn licht en liefde wandelen.
Ik las eens de uitspraak: ‘De gemeente is bedoeld om het hemelse leven op aarde zichtbaar te maken’.
Wat moet de Heer ons nog veel (af-)leren om als hemelburgers het hemelse leven op aarde zichtbaar te maken.
Een jubeljaar kenmerkte zich ook door de verkondiging van de vrijheid.
Wat een kansen geeft de Here ons om de bevrijdende boodschap van Jezus Christus op vele plaatsen te mogen brengen; o.a. in het Y.M.C.A.-gebouw,

in de Bijbelkiosk op de Boulevard, in de dagelijkse contacten met mensen, die Hij op onze weg brengt.
We mogen bidden, dat ook tijdens de twee concerten die op 13 maart geweest zijn met Elly & Rikkert, kinderen, jongeren en ouderen aangeraakt zijn door de liefde van Christus, Die hen wil bevrijden van zonde, angst en oordeel.

In Leviticus 25:23 zegt de Here God: “..want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij.”
Niet alleen het land Israël, maar de gehele aarde behoort God toe en wij zijn net als Abraham, Isäak en Jacob vreemdelingen en bijwoners op aarde.
Mijn vrouw en ik hopen samen met u het vreemdeling- en bijwonerschap op aarde inhoud en gestalte te geven, totdat we de hemelse stad met fundamenten, waarvan God de Ontwerper en Bouwmeester is, mogen binnengaan.

Uw broeder Gerardus Sipkema.

De Gemeente digitaal

Sedert een aantal jaren zijn we als Gemeente ook vertegenwoordigd op het Wereld Wijde Web. Via deze weg hebben al heel wat mensen ons weten te bereiken en kunnen we op een heel moderne manier een getuige in de wereld zijn. De website bevat o.a. informatie over wat we als Gemeente geloven en waar we voor staan. Het bevat daarnaast praktische informatie over de samenkomsten en allerlei activiteiten. Voor belangstellenden is de Heraut ook gedurende 6 maanden nog na te lezen op de site. Ook zijn de diensten zowel gelijktijdig als op een ander tijdstip te beluisteren.

De site is via www.baptistscheveningen.nl te bereiken.

Nawoord

Dit boek is tot stand gekomen door de welwillende medewerking van vele Gemeenteleden, oud-leden, voorgangers en oud-voorgangers.
Zonder hen had dit boekwerkje het levenslicht niet gezien, onze oprechte hartelijke dank hiervoor.
Ook dank aan allen die op wat voor manier een bijdrage hebben geleverd voor de verdere totstandkoming van dit boekwerkje.